|
Site tot bemoediging, lering en bevestiging in de waarheid, die in Christus Jezus is.
|
|
| |
Toen Jona in de walvis zat .....
Het is merkwaardig, dat er onder de profetische boeken in de Heilige Schrift twee geheel op Nineve betrekking hebben: het boek Jona en de profetie van Nahum. Nog merkwaardiger, omdat er geen andere stad is, waaraan een boek van de profeten is gewijd.
De Heilige Geest moet er wel een bedoeling mee hebben, dat Nineve die aandacht heeft gekregen.
Het is ook opvallend, dat de Heer Jezus de profeet Jona, die naar Nineve gezonden werd, met zichzelf vergeleken heeft en zijn optreden en terugkeer uit de vis vergeleek met zijn eigen prediking en opstanding. De inwoners van Nineve stelde Hij daarbij als voorbeeld van hoe men Hem had moeten ontvangen en geloven: Toen de scharen te hoop liepen, begon Hij te zeggen: Dit geslacht is een boos geslacht. Het begeert een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona.
30 Want gelijk Jona voor de Ninevieten ten teken geworden is, zo zal ook de Zoon des mensen het zijn voor dit geslacht.
31 De koningin van het Zuiden zal in het oordeel optreden met de mannen van dit geslacht en hen veroordelen, want zij is gekomen van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen, en zie, meer dan Salomo is hier.
32 De mannen van Nineve zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht en het veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona, en zie, meer dan Jona is hier (Lukas 11:29-32).
Dat Hij met "het teken van Jona" zijn opstanding uit de doden bedoelde, blijkt uit Mattheüs 12:39-40 Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona, de profeet. Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen in het hart der aarde zijn, drie dagen en drie nachten.
Het is een van de zeldzame gevallen, waarin de Heer Jezus een mens, die ons in het Oude Testament wordt voorgesteld, als type van zichzelf noemde.
Jona is dus een type of illustratie van Christus.
Dan moet Nineve wel een type van de wereld zijn, waarin Christus als de door God gezondene gekomen is, zoals Jona in Nineve een door God gezonden profeet was.
Als de Geest van God het nodig oordeelde een geheel boek te gebruiken om dat beeld te geven, zal het zeker de moeite waard zijn om na te gaan, hoe dat beeld tot ons spreekt.
De profeet Jona en zijn opdracht.
1 Het woord des Heren kwam tot Jona, de zoon van Amittai:
2 Maak u op, ga naar Nineve, de grote stad, en predik tegen haar, want haar boosheid is opgestegen voor mijn aangezicht.
Zijn naam betekent duif. God gaf hem de opdracht om naar de grote en goddeloze stad Nineve te gaan.Zoals een vogel van boven komt, werd de profeet van boven naar Nineve gezonden.
De inwoners van die stad hadden niet om een profeet gevraagd, bekommerden zich niet om God en leefden zo goddeloos, dat hun boosheid zich tot voor God had opgestapeld. Neen, zij dachten niet aan God. Maar God dacht aan hen.
Ja, Nineve is wel een geschikt beeld van de wereld. In het algemeen bekommeren de mensen zich immers niet om God en wat zij doen, stapelt zich als een berg van ongerechtigheid voor God op. We zijn er helaas reeds aan gewend en zien het vaak niet meer. Maar de Heer ziet het ter dege.
De mensen denken niet aan God.
Maar God heeft aan hen gedacht.
En Hij heeft uit de hemel zijn Zoon, Jezus Christus, gezonden.
Een geschiedenis met een profetische boodschap.
Maar dat brengt ons tot de conclusie, dat de geschiedenis van Jona en Nineve en het boek, dat daarover geschreven is, door God is bedoeld als een profetische schets van de zending van Jezus Christus naar de wereld, van de bedoeling die God daarmee heeft gehad en van de ontferming die in Gods hart is, zelfs als Hij het oordeel laat aankondigen.
Het boek Jona krijgt daardoor een tweede betekenis. Het is niet slechts een bericht over wat God eertijds door en met Jona heeft gedaan, maar is tegelijk een verreikende profetie over de Profeet die komen zou (en gekomen is) en over Gods bedoeling met het zenden van zijn Zoon. Het boek werpt zo zijn eigen licht op de Heer Jezus en zijn werk en laat ons iets proeven van de wijsheid en barmhartigheid van God, die voor de meest verdorven mensen alles wil doen om hen voor het oordeel te sparen.
De ongehoorzame en de Gehoorzame.
3 Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, weg van het aangezicht des Heren, en hij ging naar Jafo en vond een schip, dat naar Tarsis zou gaan; hij betaalde de vrachtprijs daarvan en ging scheep om met hen naar Tarsis te gaan, weg van het aangezicht des Heren.
Jona moest "tegen" Nineve prediken, een harde en ernstige boodschap, die we in hoofdstuk 3:4 lezen: Nog veertig dagen en Nineve wordt ondersteboven gekeerd!
Maak u op en ga naar Nineve, had God gezegd.
Jona maakte zich dus op, maar ging niet naar Nineve in het oosten. Hij ging de tegengestelde kant op, naar het westen, naar Tharsis, weg van God. Zo staat het in de bijbel.
Daarin is Jona geen beeld van Christus. Die is in alle dingen geheel gehoorzaam aan God geweest. Jona was ongehoorzaam. In dat opzicht is Jona eerder een beeld van Israel en van de kerk. Israel moest in de wereld Gods boodschap brengen, maar faalde daarin. Vervolgens riep de Heer de gemeente, meestal de kerk genoemd. Maar die faalde niet minder. Het merendeel van hen, die zich christenen noemen, is ver van God afgedwaald.
Christus niet. Hij heeft geheel Gods wil gedaan.
Weg van God, dat kost je wat.
Maar over die geschiedenis van Jona is toch nog wat meer te zeggen. Niet alleen, dat iedere christen, die van God afdwaalt, daarvoor een prijs moet betalen, want je keert niet goedkoop God de rug toe, zoals ook Jona voor zijn tocht per schip naar het westen de vrachtprijs moest betalen.
Neen, er is ondanks het verschil ook een gelijkenis met de weg van Christus. Zijn weg van gehoorzaamheid bracht Christus tenslotte in de positie van iemand met wie God geen gemeen-schap kon hebben, naar wie Hij niet horen kon. Het grote ver-schil is natuurlijk, dat Jona door zijn ongehoorzaamheid in zo'n positie kwam.
Eigenlijk koos Jona een weg, waarop ook de inwoners van Nineve liepen, weg van God. En daarom is hem overkomen, wat iedereen tenslotte overkomt, die God de rug toekeert, de ondergang. Maar dat was precies wat hij in Nineve moest prediken.
Wat Nineve te wachten stond, Gods oordeel, is Jona overkomen
en wat een mens te wachten staat, Gods oordeel, is Jezus Christus overkomen. Waarom? Omdat Hij ons liefheeft.
Weg van God, dat lukt je niet.
4 Maar de Here wierp een hevige wind op de zee en er ontstond een zware storm op de zee, zodat het schip dreigde te worden stukgeslagen.
5 De schepelingen werden bevreesd en riepen ieder tot zijn god, en zij wierpen de lading die in het schip was, in zee om het daardoor lichter te maken. Jona echter was in het ruim van het schip afgedaald, en hij had zich daar neergelegd en was in een diepe slaap gevallen.
Er ontstond een zware storm.
De zeelieden met wie Jona vertrok, kenden God niet. Dat zij naar Tharsis wilden varen, was niets bijzonders en er stak geen kwaad in.
Maar Jona geloofde in God. Hij wilde ook naar Tharsis, net als het scheepsvolk, maar er was een groot verschil, want hij behoorde naar Nineve te reizen. Zijn reis naar Tharsis was ongehoorzaamheid, weg van God.
Wie gelooft, kan niet uit Gods oog weglopen en mag verwach-ten, dat de Heer zal ingrijpen. Zo was het met Jona gesteld, heel anders dan de zeelieden, die gewoon hun werk deden. Zij waren niet bewust ongehoorzaam aan een door God gegeven opdracht maar Jona wel.
Hoe zou God Jona kunnen tegenhouden, als hem alles meezat? Had hij niet een schip gevonden, dat een richting zou varen, die hem juist van pas kwam? Maar de God, die Jona geroepen had, kon niet alleen een profeet gebieden. Hij is ook Gebieder van wind en golven. En Hij zond een storm.
Alleen maar het krachtig waaien van de wind was genoeg.
De zeelieden wisten geen raad meer.
Ze riepen tot hun goden. Maar die konden geen wind en golven gebieden. Dus gooiden ze van de vracht overboord. Dat maakte de boot wel lichter, maar de storm bleef even zwaar.
En Jona sliep.
Hoe bestaat het!
Jona, hoe lang slaap je al?
6 En de gezagvoerder kwam bij hem en zeide tot hem: Hoe kunt gij zo vast slapen! Sta op, roep tot uw god, misschien zal die god onzer gedenken, zodat wij niet vergaan.
7 En zij zeiden tot elkander: Komt, laat ons het lot werpen, opdat wij te weten komen door wiens schuld dit onheil ons treft. Zij wierpen het lot en het lot viel op Jona.
Jona was ijverig geweest en had zich zeer ingespannen om weg te komen. Maar hij had al die tijd geslapen.
Geslapen?
Ja, want hoe kon hij denken, dat hij van God kon wegvluchten?
Geestelijk sliep hij, want eigenlijk wist hij heel goed, dat hij vergeefs probeerde weg te komen.
En aan boord sliep hij ook, met een diepe slaap. Dat lijkt soms het beste, want dan hoef je niet na te denken en heb je geen last van onrustige gedachten.
Maar de schipper vond het maar vreemd, dat hij sliep.
Jona offerde zich op. Christus ook, voor ons.
8 Toen zeiden zij tot hem: Deel ons toch mee, door wiens schuld dit onheil ons treft; wat is uw bedrijf en vanwaar komt gij, wat is uw land en van welk volk zijt gij?
9 En hij zeide tot hen: Ik ben een Hebreeer en ik vrees de Here, de God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft.
Op hun vraag aan Jona gaf hij te kennen, dat die storm om hem door God gezonden was.
10 Toen vreesden die mannen met grote vrees en zij zeiden tot hem: Wat hebt gij toch gedaan? want die mannen wisten, dat hij op de vlucht was, weg van het aangezicht des Heren, want dat had hij hun medegedeeld.
11 En zij vroegen hem: Wat zullen wij met u doen, opdat de zee ophoude tegen ons te woeden, want de zee wordt hoe langer hoe onstuimiger.
12 Hij antwoordde hun: Neemt mij op en werpt mij in de zee, en de zee zal ophouden tegen u te woeden. Want ik weet, dat door mijn schuld deze zware storm tegen u is opgestoken.
13 Maar de mannen roeiden om het schip weer aan land te brengen, doch zij waren daartoe niet in staat, omdat de zee hoe langer hoe onstuimiger tegen hen werd.
Werp mij overboord, zei hij, dan zal de storm voor jullie bedaren.
Een zeeman doet zoiets niet gauw. Maar tenslotte hadden zij geen keus.
14 Toen riepen zij tot de Here en zeiden: Ach, Here, laat ons toch niet vergaan om het leven van deze man en leg geen onschuldig bloed op ons, want Gij, Here, hebt gedaan gelijk U behaagde.
15 Daarna namen zij Jona op en wierpen hem in de zee, en de zee hield op met woeden.
16 En de mannen vreesden de Here met grote vrees, en zij slachtten de Here een offer en deden geloften.
En de zee bedaarde en werd stil.
Doordat Jona zich opofferde, werden de zeelieden gered.
Jona ging een zelfde weg als de inwoners van Nineve en hij heeft ervaren, dat die weg hem in het oordeel en in diepe wate-ren bracht. De dood sperde de kaken open in de vorm van een reusachtige vis en slokte hem naar binnen.
17 En de Here beschikte een grote vis om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van de vis drie dagen en drie nachten.
Zo heeft Jezus Christus zich opgeofferd. God moest de mensen om hun zonden oordelen, maar Christus offerde zich op en nam de schuld voor zijn rekening. Watervloed roept tot watervloed bij het gebruis uwer stromen; al uw baren en golven slaan over mij heen, klaagde Hij in psalm 42:8. En in psalm 69:2 en 3 riep Hij uit: Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.
Jona was schuldig.
De Heer Jezus niet.
Maar hij nam onze schuld op zich en aanvaardde de conse-quentie, het oordeel door God. Zo heeft onze verkeerde weg Hem in het oordeel en de dood gebracht.
Drie dagen en nachten was Jona in de buik van die vis. Wat een benauwdheid moet dat geweest zijn.
Zo is Christus drie dagen en nachten in de dood en het graf geweest.
In de benauwdheid bad Jona:
1 En Jona bad tot de Here, zijn God, uit het ingewand van de vis.
2 En hij zei: Ik riep uit mijn nood tot de Here en Hij antwoordde mij; uit de schoot van het dodenrijk schreeuwde ik, Gij hoordet mijn stem.
3 Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zee, en een waterstroom omving mij; al uw brandingen en uw golven gingen over mij heen .
4 En ik, ik zeide: verstoten ben ik uit uw ogen, zou ik ooit weer uw heilige tempel aanschouwen?
5 Wateren omringden mij, zij bedreigden mijn leven, de diepte omving mij, met zeewier was mijn hoofd omwonden.
6 Tot de grondvesten der bergen zonk ik neer; de grendelen der aarde waren voor altoos achter mij. Toen trokt Gij mijn leven uit de groeve omhoog, o, Here, mijn God!
7 Toen mijn ziel in mij versmachtte, gedacht ik de Here, en mijn gebed kwam tot U in uw heilige tempel.
8 Zij die nietige afgoden dienen, geven Hem prijs, die hun goedertieren is.
9 Maar ik, met lofzegging wil ik aan U offeren; wat ik beloofd heb, wil ik betalen; de redding is des Heren.
Dat gebed lijkt op uitspraken van de Heer in zijn lijden, die we profetisch in de psalmen vinden: Here, God van mijn heil, des daags roep ik, des nachts ben ik voor uw ogen.
Laat mijn gebed voor uw aangezicht komen, neig uw oor tot mijn geroep;
want mijn ziel is verzadigd van rampen, mijn leven is het dodenrijk nabij.
Ik word gerekend onder wie in de groeve nederdalen, ik ben geworden als een man zonder kracht.
Onder de doden is mijn verblijf, gelijk verslagenen die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en die aan uw hand ontrukt zijn.
Gij hebt mij in de diepste kuil gelegd, in duistere plaatsen, in diepten.
Uw grimmigheid rust zwaar op mij, door al uw baren drukt Gij mij neder (Psalm 88:2-8)
Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen?
Mijn tranen zijn mij tot spijze dag en nacht, daar men de ganse dag tot mij zegt: Waar is uw God?
Hieraan wil ik denken en mijn ziel in mij uitstorten: hoe ik optrok in de dichte drom, voor hen uit schreed naar Gods huis, bij jubelklank en lofgezang; een feestvierende menigte (Psalm 42:3-5).
Hij heeft niet veracht noch versmaad de ellende van de ellendige, en zijn aangezicht niet voor hem verborgen, maar Hij heeft gehoord, toen hij tot Hem riep.
Van U komt mijn lof in een grote gemeente, mijn geloften zal ik betalen in de tegenwoordigheid van wie Hem vrezen. (Psalm 22:25 en 26).
De benauwdheid van Jona in de vis is niet te vergelijken met hetgeen Christus heeft doorgemaakt, toen Hij onze zonden droeg en daardoor onder het oordeel van God en in de dood kwam.
Waarom heeft Hij dat gedaan?
Omdat Hij vol erbarming is, zoals ook de Vader, die Hem gezonden heeft.
Jona wilde geen erbarming voor de zondaars in Nineve en kwam om zijn ongehoorzaamheid in de nood.
Christus zocht erbarming voor zondaars en ging gehoorzaam de weg om ons te redden, wat Hem in de nood bracht,
|
U zocht geen oordeel, maar erbarmen,
zoals de Vader had gezegd,
en hebt voor schuldigen en armen
uw leven afgelegd.
Zo kwam U in de waterstromen
van Godes toorn, een oordeelsvloed.
toen U mijn plaats hebt ingenomen,
ten koste van uw bloed
Wat kan ik U, mijn Redder, geven?
Mijn hart, mijn liefde en mijn leven.
|
De redding is des Heren
10 En de Here sprak tot de vis en deze spuwde Jona uit op het droge. `
Dat is wel iets om over na te denken.
De Heer sprak tegen Jona, maar hij gehoorzaamde niet
De Heer sprak tot de wind en het stormde.
De Heer sprak weer tot de wind en het werd stil.
De Heer sprak tegen de vis en hij spuwde Jona uit.
Jona had tegen God gesproken en de Heer luisterde wel en was genadig.
Zou Jona daar ook over nagedacht hebben?
Laten wij er in ieder geval eens over nadenken.
Misschien is het goed, als we de naam Jona door onze eigen naam vervangen. Of niet?
Jona heeft de ontferming van God tegenover een schuldig mens ondervonden, want die mens was hijzelf. Een kostbaar iets, die barmhartigheid van God. Zou Jona dat beaamd hebben, als we het tegen hem gezegd zouden hebben? Waarschijnlijk wel.
Jona had gezegd "de redding is des Heren". Goed gezegd, Jona. En waarop is die redding dan gebaseerd?
Op de barmhartigheid van God tegenover een schuldig mens.
Redding door barmhartigheid.
Dat is ook nu nog de enige mogelijkheid om gered te worden. Onze zonden vragen om het oordeel. En God heeft dat oordeel voltrokken. Maar niet aan de schuldige zondaar, maar aan een plaatsvervanger, Jezus Christus, de Onschuldige. Hij gaf zichzelf, vrijwillig, als offer voor ons.
Waarom?
Om barmhartig te kunnen zijn en schuldigen te kunnen redden.
Doet u dat wat?
Jona werd gered, hoewel hij door de buik van de vis moest gaan.
Christus is ook verlost. Niet van zonden, want Hij had geen zonden. Hij is verlost uit de dood en het graf, omdat het vonnis van de dood als loon op de zonden niet op Hem van toepassing was. Hij stierf onze dood, plaatsvervangend. Maar Hij is opgewekt uit de dood en aan velen verschenen met de tekenen van het kruislijden in zijn handen en zijde.
Uw kruis, uw kruis o Heer,
uw handen en uw zijde met die wonden,
dat alles moest U lijden door mijn zonden,
zonder verweer.
U had mij lief, o Heer.
Het kruis, Gods toorn, de dood hebt U verdragen,
en U wilt slechts geloof en liefde vragen
voor U, mijn Heer.
Een nieuwe opdracht.
1 Het woord des Heren kwam ten tweeden male tot Jona:
2 Maak u op, ga naar Nineve, de grote stad, en breng haar de prediking, die Ik tot u spreken zal.
3 Toen maakte Jona zich op en ging naar Nineve, overeenkomstig het woord des Heren. Nineve nu was een geweldig grote stad, van drie dagreizen.
De ongehoorzaamheid van Jona kon Gods bedoelingen niet omver werpen of veranderen. Maar misschien was Jona inmiddels veranderd. Hij had immers een harde les geleerd. Hij had ervaren, wat het betekende om een pad te lopen, dat van God vandaan leidde en hij had de ontferming van God ondervonden.
Hij kreeg dus opnieuw de opdracht om naar Nineve te gaan en te prediken.
Was het beslist noodzakelijk om te prediken?
Wat moest hij eigenlijk prediken?
Hij moest prediken wat God hem zei.
Inhoud van de prediking.
4 En Jona begon de stad in te gaan, een dagreis, en hij predikte en zeide: Nog veertig dagen en Nineve wordt ondersteboven gekeerd!
Dat was dus wat de Heer hem had opgedragen om te zeggen.
Een oordeelsboodschap.
Niet prettig om te horen. Het heeft veel weg van wat men tegenwoordig wel eens noemt "hel en verdoemenis prediken". Daar worden sommige mensen zenuwachtig van en daarom horen ze zo 'n boodschap liever niet. Ze praten er met afschuw over.
Maar ze vergeten, dat een oordeelsboodschap niet het oordeel is, integendeel. Die boodschap is bedoeld om te waarschuwen. En waarschuwen heeft als doel de mensen te behoeden voor het oordeel dat werd aangekondigd. Waarom is men daar zo fel tegen? Is dat, omdat men beseft, dat de boodschap waar is? Dan zou men dankbaar moeten zijn. Op tijd gewaarschuwd worden is een voorwaarde om een ramp te ontlopen.
Het evangelie is geen oordeelsboodschap, maar een blijde boodschap. De boodschap namelijk, dat verlossing is bereid door Jezus Christus. Maar die boodschap betekent wel, dat verlossing nodig is, omdat anders..... ja, inderdaad het oordeel komt.
lees verder >>>>
|
|
 |
|