Site tot bemoediging, lering en bevestiging in de waarheid, die in Christus Jezus is.
 

Messias of Christus, wet of genade, sabbat of zondag.

Wat leert de Bijbel een christen over de wet, de eerste dag van de week, het houden van Joodse feesten en dergelijke, dingen die verband houden met wat men wel noemt 'onze Joodse wortels'.

We lazen, dat in een samenkomst van christenen een Messiasbelijdende rabbijn het woord voerde. We begrijpen, dat daarmee een Jood wordt bedoeld, die in de Messias gelooft. In het gelezen artikel wordt enige malen de naam Jeshua gebruikt, waardoor duidelijk is, dat met 'Messiasbelijdend' bedoeld wordt: 'die in Christus Jezus gelooft', wat de betrokkene echter met de Hebreeuwse woorden 'Messias Jeshua' zou weergeven. De spreker was rabbijn van een 'Messiasbelijdende gemeente'.

Dat geeft ons enige onderwerpen:
  1. Is het juist, dat een gelovige Jood zich niet christen, maar Messiasbelijdende Jood noemt?
  2. Is het juist, dat men niet van Christus Jezus, maar van Messias Jeshua spreekt?
  3. Is het juist, dat gelovige Joden een aparte gemeente vormen en niet met andere christenen samengaan?

1. Christen of Messiasbelijdende Jood.

In Handelingen 11:26 wordt voor het eerst de naam christen vermeld: 'Het geschiedde, dat zij een geheel jaar in de gemeente samenvergaderden en een grote schare leerden, en dat de discipelen te Antiochië het eerst christenen genoemd werden'.

De tweede maal komt die naam in Handelingen 26:28 voor: 'Agrippa zei tot Paulus: Welhaast beweegt gij mij een christen te worden'. 1 Petrus 4:15 is de derde maal: 'indien iemand lijdt als christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in deze naam'. De gemeente in Antiochië was de eerste gemeente, die voor het grootste deel uit bekeerde heidenen bestond. Zij was ontstaan door de prediking van gevluchte Joodse gelovigen. Behalve heidenen zullen in die gemeente ook die gelovige Joden vergaderd hebben. Daar kwamen Barnabas en Saulus nog bij, ook Joden. Het geciteerde vers 26 zegt dan, dat zij een jaar in de gemeente samenvergaderden. En die gelovigen werden christenen genoemd.

Welke gelovigen?
Allen, die als gemeente samenvergaderden, inclusief Barnabas en Saulus en de andere gelovige Joden. De mensen maakten geen onderscheid tussen hen, die Joden en hen die Grieken waren, neen, zij vergaderden samen als gelovigen, die Jezus Christus beleden en werden daarom zonder onderscheid christenen genoemd.

De opmerking van Agrippa in Handelingen 26 maakt ons duidelijk, dat de naam 'christen' voor hen die in Jezus Christus geloofden, ook onder de Joden was ingeburgerd. Van Agrippa zei Paulus: 'omdat gij bekend zijt met alle gebruiken en twistvragen die onder de Joden zijn' (vers 3). Bovendien zei hij (vers 26): 'de koning weet van deze dingen, tot wien ik ook met vrijmoedigheid spreek; want ik ben overtuigd, dat hem niets van deze dingen verborgen is'. Tenslotte zei hij in vers 27 nog: 'gelooft gij, koning Agrippa, de profeten? Ik weet, dat gij ze gelooft'. Agrippa was dus goed op de hoogte.

Het is ondenkbaar, dat deze Agrippa de naam christen gebruikt heeft, terwijl die naam onder de Joden nog niet gangbaar was. Ongetwijfeld was die naam ook in Judea ingeburgerd als aanduiding van hen die in Christus geloofden.

We lezen niet van enig protest tegen het gebruik van dat woord en wat Petrus schreef, bevestigt het gebruik. Maar Petrus schreef zelfs: 'verheerlijk God in deze naam'.

Deze apostel, die zelf een Jood was, wees de naam christen niet af, maar wekte zijn gelovige volksgenoten op onder die naam God te verheerlijken. Dat is heel wat anders dan de houding van de Messiasbelijdende Joden vandaag.

We weten heel goed, dat Joden door zogenaamde christenen veel geleden hebben. Maar zo goed als het verkeerd is Joden te verachten, omdat zij in het verleden Jezus Christus verworpen en gekruisigd hebben, is het ook verkeerd de naam christen af te wijzen omdat zogenaamde christenen de Joden vervolgd hebben. We ontkennen daarmee de verschrikkingen van de pogroms niet.

Door de term 'Messiasbelijdende Joden' onderscheiden deze gelovigen zich van niet-Joden die in Christus geloven, van de christenen. Blijkbaar vormen zij trouwens ook een aparte Messiasbelijdende gemeente. In Handelingen 2:40 lezen we: 'Met veel meer andere woorden betuigde en vermaande hij (Petrus) hen, zeggende: wordt behouden van dit verkeerd geslacht'. Die zijn woord aannamen en zich lieten dopen, distantieerden zich daarmee van hun volksgenoten, die de Heer Jezus nog steeds afwezen. Zij waren geen Messiasbelijdende Joden, maar Joodse Messiasbelijders, anders gezegd, Joodse christenen.

De Schrift leert ons, dat 'wij allen door één Geest tot één lichaam gedoopt zijn, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen' (1 Korinthe 12:13). In dezelfde brief schreef de apostel in hoofdstuk 1 reeds, dat het niet goed was, dat de ene christen in Korinthe zich van de andere onderscheidde door: 'ik ben van Paulus, ik van Apollos, ik van Cephas'. Hij vroeg daarom: Is Christus gedeeld? Als sommige gelovigen zich van de anderen onderscheiden door zich Messias-belijdende Joden te noemen, is er reden om ook hun die vraag te stellen: Is dan Christus gedeeld, de Heer die gelovige Joden met gelovige heidenen heeft samengevoegd, zodat het één kudde één herder is geworden? In Handelingen 19:9 staat, dat Paulus de discipelen van de synagoge afzonderde en dagelijks sprak in de school van Tyrannus. De Joodse discipelen waren daarvan zeker niet uitgezonderd. Zij vergaderden ongetwijfeld mede met de anderen los van de synagoge en niet apart als Joods groep. Dat was trouwens ook al het geval geweest in de gemeente te Antiochië, waar Joden en heidenen samen in de ene gemeente vergaderden. Dat is in overeenstemming met de eenheid van de gemeente Gods, die uit Joden en heidenen bestaat. Nadrukkelijk heeft de apostel in Efeze 2:14 en volgende verzen geschreven, dat Christus Jezus beiden (Joden en heidenen) één gemaakt heeft en de twee (Joden en heidenen) in zichzelf tot één nieuwe mens heeft geschapen. Er is in de gemeente Gods reeds teveel verdeeldheid. Onderscheid op basis van nationaliteit, in casu het Jood zijn, mag niet de zoveelste oorzaak van verdeeldheid onder christenen zijn. Christus heeft de gelovigen uit Israël samengevoegd met gelovigen uit de volken in de ene gemeente Gods.

2. Messias Jeshua of Christus Jezus.

De eeuwen door heeft de christenheid niet het Hebreeuwse 'Messias Jeshua' gebruikt, maar van 'Christus Jezus' gesproken. Dat was ook vanzelfsprekend, omdat de Bijbel nergens Messias Jezus noemt, maar altijd Christus Jezus of Jezus Christus.

De schrijvers van het Nieuwe Testament, hoewel de meeste Joden waren, gebruikten niet de Hebreeuwse woorden, maar gebruikten de Griekse uitdrukking. Zouden de huidige Messiasbelijdende Joden het beter doen door wel de Hebreeuwse woorden te gebruiken? Zouden zij met de uitdrukking Messias Jeshua meer naar Gods wil handelen dan de apostelen, die over Christus Jezus spraken? Zou hun woordgebruik beter zijn dan dat in de geïnspireerde Schriften van het Nieuwe Testament? Zouden zij het beter doen, dan de Engel des Heren, die tegen Jozef zei, dat hij de zoon van Maria Jezus moest noemen? (Matth. 1:21). Zou de engel, die de herders vertelde, dat de Heiland geboren was, en Hem Christus, de Heer, noemde, Gods gedachte minder begrepen hebben dan deze Messiasbelijdende Joden?

Misschien ergert het deze gelovigen, dat zelfs het gehele Nieuwe Testament in het Grieks geschreven is. God heeft immers vanouds de Hebreeuwse taal gehanteerd, maar laat het evangelie van verlossing door zijn Zoon niet in het Hebreeuws, maar door het Grieks wereldkundig worden. Waarom die verandering en waarom die taal van de heidenen? Deugt het Hebreeuws plotseling niet meer? En wat heeft de taal van een afgodisch volk vóór op de taal van de Oud- testamentische profeten?

Die taal heeft niets vóór op het Hebreeuws en ook de andere talen der heidenen hebben op het Hebreeuws niets vóór. Maar de Heer heeft zijn dreiging in Jesaja 28:11 waar gemaakt: 'Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken', niet alleen op de Pinksterdag en daarna, maar ook in alle geschriften van het Nieuwe Testament. Nog steeds spreekt het Nieuwe Testament 'in een andere taal' (dan het Hebreeuws) tot Israël en nog steeds moet het feit, dat de Bijbel nergens van Messias Jeshua spreekt, maar Hem altijd Christus Jezus noemt, hun geweten aanspreken en hen doen vragen: Waarom wordt Hij, die als de Messias is aangekondigd, bij de vervulling van die beloften uitsluitend met Christus in een heidense taal aangeduid? We laten de beantwoording aan de Messiasbelijdende Joden over.

Intussen is het duidelijk, dat de Heilige Geest niet het Hebreeuwse Messias Jeshua, maar het Griekse Christus Jezus gebruikt en ons telkens de Heer met die woorden voor de aandacht plaatst. Wij willen ons door die Geest van God laten leren, wij willen de apostelen volgen, die niet van Messias Jeshua, maar van Christus Jezus spraken en het was goed als de Messiasbelijdende Joden van vandaag eveneens de Joodse apostelen volgden in hun taalgebruik.

3. Een aparte gemeente van gelovige Joden?

Paulus heeft in Galaten 3:25-28 geschreven over hen die geloven: 'Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus'.

In de gemeente Gods, waarin alle kinderen Gods zijn samengevoegd, verbonden aan het Hoofd Christus en aan elkander, valt het onderscheid tussen Jood en Griek weg. Zij zijn niet meer verschillend, maar geheel gelijk.

Het is Gods bedoeling, dat de gelovigen de eenheid des Geestes bewaren in de band van de vrede (Efeze 4:3). Die eenheid, die Gods Geest bedoelt en praktisch bewerkt, laat geen oprichting van aparte gemeenten op grond van afstamming of iets dergelijks toe. Zijn Messiasbelijdende Joden beter of juist minder dan andere christenen? Zij zijn niet beter en niet minder. Zijn zij anders dan andere christenen? Zij zijn ook niet anders. Maken zij deel uit van het ene lichaam van Christus? Zeker, indien zij werkelijk gelovig zijn. Er is dus geen enkel verschil tussen gelovige Joden en gelovigen uit de volken. Apart gaan staan op grond van afstamming naar het vlees betekent scheiding aanbrengen in de eenheid, die Christus bewerkt heeft en openbaart verdeeldheid in plaats van eenheid tussen Gods kinderen. Dat is verwerpelijk.

We hebben al gezien, dat de apostelen een dergelijke scheiding niet kenden en dat de vroege gemeenten uit Joden en heidenen bestonden. En toen Petrus zich in Antiochië aan de gemeenschap met gelovigen uit de volken onttrok, wees Paulus hem openlijk terecht, er aan toevoegend, dat Petrus zelf naar de wijze der volken en niet als Jood leefde (Galaten 2:14 en 15). Paulus erkende dus geen verschil tussen Joden en de anderen en kon niet goedkeuren dat Joden apart gingen staan!

Over het werk in Efeze lezen we in Handelingen 19:8-10 het volgende: 'En hij ging in de synagoge, en sprak vrijmoedig, drie maanden lang met hen handelende, en hun aanradende de zaken van het Koninkrijk Gods. Maar als sommigen verhard werden, en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van den weg des Heren voor de menigte, week hij van hen, en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus. En dit geschiedde twee jaren lang'.

Sommigen uit de synagoge verhardden zich, maar anderen geloofden blijkbaar. Daarop zonderde Paulus de discipelen af. Wie waren dat? De Joden en heidenen die geloofd hadden. Er ontstonden niet twee gemeenten, één van bekeerde Joden, en één van gelovige heidenen. Neen, er was één gemeente te Efeze. Paulus ontbood de oudsten van de (ene) gemeente te Efeze, Hand. 20:17, en Johannes moest schrijven aan de engel der (ene) gemeente te Efeze, Openbaring 2:1. In beide gevallen was het niet de vraag om welke gemeente het ging, die der christenen of die van de Messiasbelijdende Joden, want er was maar één gemeente in Efeze. En zo hoort het ook.

Rabbijn Jeshua?

De spreker wordt in het artikel rabbijn van een gemeente genoemd. En de spreker noemde op zijn beurt de Heer Jezus Rabbijn Jeshua.
Dat had niet gezegd mogen worden. Er waren veel rabbijnen en er zijn er nog vele. Maar we moeten er tegen waken dat we de Heer Jezus Christus, de Zoon van God, op één lijn met die verschillende rabbijnen zouden plaatsen.
Verschillende mensen hebben de Heer Jezus Rabbi genoemd. De discipelen deden dat ook wel. Maar in de brieven in het Nieuwe Testament wordt de Heer Jezus nooit rabbi of rabbijn genoemd. De Joodse gelovigen Paulus, Petrus, Johannes, Judas, ze noemden Hem Heer. Wie in Jezus Christus gelooft, moet Hem niet meer Rabbijn noemen.

Heeft Christus voor ons de wet vervuld?

In Mattheus 5:17-20 heeft de Heer Jezus gezegd: 'Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan'. Er is met betrekking tot de eerste zin: 'Ik ben gekomen om de wet en de profeten te vervullen' veel misverstand. Heeft de Heer Jezus daarmee bedoeld, dat Hij was gekomen om te doen, wat in de tien geboden staat? Dan had de Heer 'de profeten' niet moeten noemen. De Heer Jezus heeft zeker de wil van God gedaan, veel meer dan wat in de tien geboden staat, terwijl Hij, de wetgever, boven zijn eigen geboden staat en niet gezien mag worden als verplicht zich daaraan te onderwerpen. Maar als de Heer in één adem wet en profeten noemt, die vervuld moeten worden, moeten we niet aan het volbrengen van de tien geboden denken, maar aan de vervulling van alles wat in de wet (de vijf boeken van Mozes) en de profeten over Hem geschreven staat of op Hem betrekking heeft. Zo heeft Hij het voorschrift voor het paasfeest vervuld door zichzelf te geven als het Lam, dat is voorgekend en zo heeft Hij de aanwijzing van de slang in de woestijn vervuld, toen Hij aan het hout hing.

Velen denken, dat Christus voor ons de wet (van de tien geboden) vervuld heeft en dat God die wetsvervulling door Christus op onze rekening schrijft, zodat wij behouden worden, doordat Christus in onze plaats de wet heeft vervuld. Er is trouwens een bekend lied (Er is een heuvel ver van hier…), waarin de woorden voorkomen: Hij heeft voor ons de wet vervuld, voor mij, halleluja. Maar die gedachte is niet juist. Niet door de vervulling van de wet, maar door onze zonden te dragen op het hout, doordat Hij tot zonde is gemaakt en in onze plaats door God is geoordeeld, doordat Hij voor ons stierf en zijn bloed voor ons gaf, doordat Hij voor onze schuld heeft betaald, is de gelovige gered.

De gedachte: Christus heeft voor ons de wet van Gods geboden vervuld, zodat wij dat niet meer hoeven te doen, leeft mogelijk bij meerdere christenen, maar is niet wat de Schrift ons leert. Een christen is niet vrij van de wet, omdat Christus die heeft vervuld, maar doordat hij met Christus gestorven is.

Daarom, wie zegt, dat Christus niet voor of in de plaats van de christen de wet heeft vervuld, heeft gelijk; maar als hij er aan toevoegt, dat de christen dus zelf de wet nog moet volbrengen, heeft hij ongelijk. Wij zouden dat trouwens niet kunnen, zoals Petrus heeft gezegd: 'waarom verzoekt gij God, door een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen?' (Handelingen 15:5 en 10).

Is de wet een leefregel voor alle tijden en alle mensen?

De wet is dat beslist niet. Immers, de wet is vierhonderd dertig jaar na Abraham gegeven. Van Adam tot Mozes hebben de gelovigen zonder wet geleefd.
Belangrijk is, wat Paulus in Romeinen 2:14 en 15 schreef: 'Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, zijn deze, die de wet niet hebben, zichzelf een wet; en zij tonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook ontschuldigende'.

Hier zegt de Schrift, dat de heidenen de wet niet hebben. Men kan dan moeilijk volhouden, dat die wet voor en aan allen van alle tijden gegeven is. Psalm 119:160 wordt wel genoemd als bewijs, dat de geboden van de wet voor allen voor altijd gelden, maar dat zegt dat vers toch niet:
'La somme de ta parole est la vérité, et toute ordonnance de ta justice est pour toujours' Darby. 'Et toutes les lois de ta justice sont éternelles' Nouv. Ed. Geneve. 'And to the age is every judgment of Thy righteousness' Youngs literal. 'and every one of thy righteous judgments endureth for ever' King James. 'alle Verordnungen deiner Gerechtigkeit bleiben ewig' Schlachter. 'al uw rechtvaardige verordeningen zijn voor eeuwig' NBG. 'in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid' Statenvertaling. De lezer beoordele het zelf.

Romeinen 3 begint met: 'Wat is dan het voorrecht van de Jood en wat het nut van de besnijdenis ?' Hoofdstuk 2 handelde over 'de mens' in het algemeen: 'Daarom zijt gij niet te verontschuldigen o mens, wie ge ook zijt'. Vanaf vers 17 heeft de apostel geschreven over degene, die de wet kende, de Jood: 'Indien gij nu een Jood genoemd wordt en op de wet steunt en in God roemt en zijn wil kent, en hetgeen beter is, weet te onderscheiden, omdat gij uit de wet onderwezen zijt…' Met dat onderwerp gaat het derde hoofdstuk door en het betoog eindigt met: 'Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat zegt tot hen die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde…' (3 :19). Zowel hoofdstuk 2 vanaf vers 17 als hoofdstuk 3 spreken over de Jood, die de wet kende, in tegenstelling tot de heidenen die geen wet hadden.

Exodus 16 :29 zegt: 'Ziet, omdat de Heere ulieden den sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u aan den zesden dag voor twee dagen brood; een ieder blijve in zijn plaats! dat niemand uit zijn plaats ga op den zevenden dag!' Wie worden bedoeld met 'ulieden' ? Israël. De wet is dus aan Israël gegeven, niet aan de volken.

Tenslotte, Exodus 31:16 zegt: 'Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond. Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israëls een teken in eeuwigheid zijn; dewijl de Heere in zes dagen den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en Zich verkwikt heeft'. Als dan de sabbat een teken van het verbond tussen de Heere en Israël is, is het sabbatsgebod, een onderdeel van de wet, dus exclusief voor Israël. Maar dan kan de wet met zijn sabbatsgebod niet voor allen zijn.

Wat is de leer van de Schrift omtrent de christen en de wet ?

De uiteenzetting van die leer vinden we in de brief aan de Romeinen. Wat voor iedere christen moet vaststaan is hetgeen Paulus in Romeinen 3 :20 heeft geschreven: 'Daarom zal uit werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd worden'. Maar daar hoort vers 23-24 bij: 'allen hebben gezondigd en missen (derven, bereiken niet) de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd door zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is'.
Van de wet zegt Paulus in Rom. 4 :15 'want de wet werkt toorn'. Waardoor dat ? Doordat niemand aan de eis van de wet voldoet, zodat de overtreding van de wet Gods toorn oproept. We moeten niet denken, dat de wet alleen toorn wekt voor een ongelovige. Ook als een christen op zich neemt de wet te volbrengen -mogelijk omdat hij meent daartoe verplicht te zijn- werkt de wet te zijnen opzichte toorn.

In Galaten 3:19 wordt de vraag gesteld: 'Waartoe is dan de wet?' Het antwoord luidt: 'Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, waarop de belofte sloeg; en zij is door de engelen besteld in de hand des Middelaars'. Maar wat betekent 'om der overtredingen wil' ? Daarop gaf Paulus in Rom. 3 :20 antwoord: 'door de wet is de kennis der zonde'. Iemand kan zich verbeelden, dat zijn leven nagenoeg zonder zonden is, zoals Israël bij de Sinaï. Maar als hij kennis neemt van de wet, kan die hem de ogen openen voor de vele gevallen, waarin hij gezondigd heeft. Dan komt dus door de wet kennis van de zonde.

Iets dergelijks vinden we ook in Rom. 7:7 'ik had de zonde niet gekend dan door de wet ; want ook de begeerlijkheid had ik niet (als zonde) gekend, indien de wet niet gezegd had: gij zult niet begeren'.

Maar de apostel schreef er nog het volgende bij: 'de zonde, aanleiding genomen hebbende door het gebod, heeft in mij elke begeerlijkheid gewekt' (vers 8), en 'toen het gebod kwam, leefde de zonde op' (vers 9).

Waartoe gaf God dan die wet ? Opdat de Israëlieten, die zich verbeeldden Gods wil te kunnen volbrengen en zichzelf dus niet kenden, zouden ontdekken, dat zij telkens weer tegen God zondigden, hoezeer zij ook trachtten het goed te doen.

Wat had God daarmee voor ? Dat zij zouden gaan inzien, dat zij genade nodig hadden. En de tekst in Galaten 3 :19 zegt, dat God de wet op die wijze liet werken 'totdat het zaad gekomen zou zijn, waarop de belofte sloeg' (dat is Jezus Christus). De wet kent dus nadrukkelijk een 'totdat'. Zo schreef de apostel dan ook in Rom 10:4 'Want Christus is het einde der wet tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft'.
Paulus heeft daarom enige krachtige uitspraken gedaan: 'Gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade' Rom. 6 :14 'Zo zijt ook gij, mijn broeders, voor de wet gedood door het lichaam van Christus'. Rom. 7 :4. 'Nu zijn wij van de wet ontbonden'. Rom. 7 :6

Het betoog van de apostel in Romeinen 7 is, dat de dood de mens van zijn verplichtingen tegenover de wet ontslaat. De wet geldt voor levende mensen. De christen is echter met Christus gestorven en is daardoor vrij van de wet. Hij heeft geen verplichtingen ten opzichte van de wet, maar ten opzichte van Christus. Niet de wet is voor de gelovige de leefregel, maar Christus. Hem zullen wij volgen en gehoorzamen, Hem zullen wij dienen, niet in oudheid van de letter (van de wet), maar in nieuwheid van de Geest.

Dat geldt voor alle christenen en niet alleen voor gelovigen uit de volken. Een bekeerde en gelovige Jood is evenzeer met Christus gestorven en opgewekt en is evenzeer voor de wet gedood als een gelovige Griek, Romein of Duitser. Paulus was een gelovige Jood, maar hij schreef wel in Rom. 7 :6 dat wij van de wet ontbonden zijn en zijn gestorven aan hetgeen waarin wij werden vastgehouden (de wet). Hij maakte voor zichzelf als gelovige Jood geen uitzondering !

De wet is dus niet vervallen, maar de christen is voor de wet vervallen, aangezien hij met Christus gestorven en opgestaan is. Daarom, als een Jood zegt, dat de wet eeuwig is, verandert dat niets aan het feit, dat de gelovige, zowel uit de Joden als uit de heidenen, vrij van de wet van de Sinaï is.

Problemen in verband met de wet in de eerste eeuw na Christus.

In Handelingen 15 lezen we, dat sommige Joodse gelovigen, met name uit de sekte der Farizeeën, beweerden, dat gelovigen uit de volken besneden moesten worden en de wet van Mozes moesten onderhouden (vers 1 en vers 5). Paulus, Barnabas en enige anderen zijn daarom naar Jeruzalem gegaan, waarna we in vers 6-11 lezen: 'En de apostelen en de ouderlingen vergaderden tezamen, om op deze zaak te letten. En als daarover grote twist geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van over langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven. En God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons; En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, hun harten gereinigd hebbende door het geloof. Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen? Maar wij geloven, door de genade van den Heere Jezus Christus zalig te worden, op dezelfde wijze als ook zij'.

We zien, dat al vroeg Joodse gelovigen trachtten broeders uit de volken onder de wet te brengen. Petrus heeft dat veroordeeld en afgewezen en er aan toegevoegd, dat ook Israël het juk van de wet nooit heeft kunnen dragen. De apostelen en de oudsten hebben dan ook geschreven, dat de Heilige Geest de gelovigen uit de volken niet de last van de wet oplegt.

Ondanks die uitspraak en dat besluit zijn Joodse leraars toch doorgegaan met hun pogingen de gelovigen onder de wet te brengen. Dat heeft Paulus er toe gebracht de brief aan de Galaten te schrijven: 'gij onderhoudt dagen en maanden, tijden en jaren. Ik vrees voor u, dat ik misschien tevergeefs aan u gearbeid heb' (4 :11). En in hoofdstuk 5 'In de vrijheid heeft Christus ons gesteld, ons vrijgemaakt hebbend ; staat dan vast en laat u niet weer onder een juk van de slavernij (onder de wet) brengen'. (Let er op, dat de apostel door het gebruik van het woord 'wij' opnieuw zichzelf als Jood er bij insluit).

In 6 :12-13 schreef hij: 'zovelen een schoon gezicht willen tonen naar het vlees, noodzaken u besneden te worden, alleen opdat zij om het kruis van Christus niet vervolgd worden. Want ook zij, die besneden worden, houden de wet niet'.

Door ijverige wetsbetrachting en door heidense gelovigen onder de wet te brengen, poogden Joodse gelovigen een goede indruk bij de Joden te maken, zodat zij niet meer vervolgd zouden worden. Trachten de Messiasbelijdende Joden soms ook een goede indruk bij de Joden te maken door te beweren, dat christenen de wet moeten houden ?

In Kolosse 2 :16 schreef Paulus: 'Dat dan niemand u oordele in spijs of drank, of in het stuk van nieuwe maan of sabbatten'. Ook daar waren dus wettischgezinde Joden actief.
In Efeze was dat ook het geval : 'Gelijk ik u vermaand heb, dat gij te Efeze zoudt blijven, als ik naar Macedonië reisde, opdat gij sommigen beveelt geen andere leer te leren, noch zich te begeven tot fabelen en eindeloze geslachtsrekeningen, welke eerder twistvragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. Het einde nu van hetgeen bevolen is, is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof, waarvan sommigen zijn afgeweken, die zich gewend hebben tot ijdele praat en leraars der wet willen zijn, niet verstaande, wat zij zeggen of bevestigen. Wij weten echter, dat de wet goed is, zo iemand die wettig gebruikt, en hij dit weet, dat de wet niet bestemd is voor een rechtvaardige, maar voor onrechtvaardigen, halsstarrigen, de goddelozen en zondaren, de onheiligen en ongoddelijken, vadermoorders, de moedermoorders, de doodslagers, de hoereerders, voor hen, die bij mannen liggen, voor de mensendieven, de leugenaars, en de meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is' 1 Timotheus 1:3-10.

Daaruit is opnieuw duidelijk, dat de apostel het afkeurde, als gepoogd werd de gelovigen onder de wet te brengen. De christen is gerechtvaardigd door het geloof en hoort niet meer bij de onheiligen, doodslagers en hoereerders.

In Handelingen 21 lezen we over het bezoek dat Paulus aan Jeruzalem bracht, waar hij bij Jakobus de oudsten van de gemeente ontmoette en te horen kreeg: 'Gij ziet, broeder, hoe vele duizenden van Joden er zijn, die geloven en zij zijn allen ijveraars voor de wet. En hun is aangaande u bericht, dat gij al de Joden, die onder de volken zijn, van Mozes leert afvallen, zeggende, dat zij de kinderen niet moeten besnijden, noch naar de gebruiken wandelen'.

De Joodse gelovigen in Jeruzalem wandelden dus nog naar Joodse gebruiken en naar de wet. Dat deden Paulus en Petrus echter niet, zoals Paulus in Galaten 2 :14 tegen Petrus heeft gezegd: 'Indien gij, die een Jood zijt, leeft naar de wijze der volken, hoe noodzaakt gij de volken naar Joodse wijze te leven ?'

De gelovigen in Jeruzalem hadden kennelijk nog niet verstaan, dat zij voor de wet gestorven waren, zoals Paulus geschreven heeft. Het is heel moeilijk geweest hen er toe te brengen de wet en de Joodse instellingen los te laten. De Heer heeft het hun onmogelijk gemaakt nog langer aan de tempeldienst mee te doen, toen Hij heeft toegelaten, dat de Romeinen de tempel verwoest hebben.

Toch is het werk van de wettischgezinde Joodse gelovigen doorgegaan en velen zijn daardoor meegesleept. Paulus heeft zich daar fel tegen verzet. Christendom is geen Jodendom en christenen zijn niet bij Israël gevoegd, maar door God toegevoegd aan zijn nieuwe bouwwerk, de gemeente. Daarin is geen onderscheid tussen Jood en Griek, maar zijn allen één in Christus. Wie zich daartegen verzet, verzet zich tegen de bedoeling en de wil van God.

Uit Handelingen 21 blijkt, dat Paulus de Joden tegemoet is gekomen en zich heeft aangepast, alsof ook hij nog altijd de wet onderhield. Maar het is opvallend, dat hij, toen hij in de tempel kwam om te handelen volgens de geboden, gepakt werd en dat hij niet meer vrij is gekomen, maar tenslotte als gevangene in Rome belandde: 'Toen nam Paulus de mannen met zich, en den dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in den tempel, en verkondigde, dat de dagen der heiliging vervuld waren, blijvende daar, totdat voor een iegelijk van hen de offerande opgeofferd was. Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden, zagen hem de Joden van Azië in den tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem, roepende: Gij Israëlitische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die tegen het volk, en de wet, en deze plaats allen man overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in den tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd'.

De Heilige Geest heeft in de brief aan de Hebreeën uitvoerig uiteengezet, dat de schaduwen van de wet en de Joodse dienst moeten wijken voor de werkelijkheid, die in Christus Jezus gekomen is. In het laatste hoofdstuk (vers 13) worden de Joodse christenen vermaand om de smaad van Christus te dragen door buiten de Joodse stad uit te gaan, daar Christus als een verworpene buiten die stad geleden heeft: 'Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. Laat ons daarom tot Hem uitgaan, zijn smaad dragend, want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige'.

Zevende of eerste dag van de week ?

Het is geheel juist, dat de zondag niet in de plaats van de sabbat is gekomen, en een zondagsgebod is er niet. De christenen zijn niet onder de wet en er rust op hen geen verplichting om de sabbat te houden. (Kolosse 2 :16). Christenen voldoen niet aan het sabbatsgebod door zondags te rusten, maar gedenken de opstanding van hun Heer op die dag.

De sabbat heeft als zevende dag het karakter van loon na het werk: eerst werken, dan rusten. Dat is volgens het beginsel der wet. De eerste dag van de week heeft een geheel ander karakter. Niet van rust na werk, maar van onverdiende rust, zonder werk van onze kant. Het werken volgt op die rust der genade. Kort weergegeven : De sabbat: eerst zelf werken, dan rusten. Dat is naar de wet. De zondag: eerst rusten door Christus, daarna werken. Dat is naar genade.

In Handelingen 20 :7 lezen we: 'Op de eerste dag der week, toen wij vergaderd waren om brood te breken, sprak Paulus tot hen'. Zo vroeg in de geschiedenis waren de christenen reeds gewoon op de eerste dag van de week het avondmaal te vieren. Geen wonder, want in het brood en de wijn herkennen wij de grondslag van onze rust, het overgegeven lichaam en gestorte bloed van onze gezegende Verlosser. Wat een getuigenis tegenover de sabbat !
De bewering, dat het om een gewone maaltijd ging, is een dwaasheid.

Als de Joodse gelovigen in Hebreeën 13 vermaand worden om zich van de Joodse dienst los te maken door buiten de Joodse legerplaats te gaan, hoe kunnen christenen dan met Joden, die Christus verwerpen, de Joodse feesten vieren? Door die feestvierders wordt Christus nog steeds veracht. Dat schijnt sommige christenen niet te raken. Hoe verblind moeten zij dan zijn.

top