Die dag na de sabbat.
Heel vroeg in de morgen was Maria van Magdala naar het graf gegaan, waarin zij, nog net vóór de sabbat begon, het lichaam van Jezus Christus, haar Heer, gelegd hadden. Op die sabbat had zij gerust, zoals in de wet was voorgeschreven, maar innerlijk had zij geen rust gekend. De Heer had haar van zeven boze geesten bevrijd, maar Hij was gestorven en ze hadden Hem wegens de komende sabbat haastig begraven, te haastig. Daarom was zij op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, reeds naar het graf gegaan.
Wat dacht zij daar te doen? Het graf was met een zware steen gesloten. Als zij meende, dat de begrafenis te haastig had plaats gevonden en dat er nog een en ander met specerijen te doen was, zou ze wel ontdekken, dat ze niets kon beginnen. Zonder hulp zou zij immers onmogelijk de steen kunnen wegrollen.
Maar daaraan dacht zij niet. Zij zocht haar Heer, omdat zij Hem boven alles liefhad, zelfs als gestorvene. Niet haar verstand, maar de liefde dreef haar.
Toen zij bij het graf gekomen was, bleek dat de steen was weggerold en dat het lichaam er niet meer lag. Een man vroeg haar, waarom zij huilde. Zij dacht dat ze de tuinman voor zich had en zei: zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. Daarop noemde de Heer haar naam en zij herkende Hem. (Johannes 20:15).
Maria zou een dode beslist niet kunnen dragen. Maar uit haar woorden blijkt, dat zij niet door verstandelijke overleggingen, maar door haar hart gedreven werd. De liefde tot de Heer beheerste haar handelen en haar spreken.
Op de avond van die dag waren de discipelen bij elkaar. Wat een dag was dat geweest! Eerst was er de ontzetting over de kruisiging en het lijden van de Heer geweest, gevolgd door de haast automatische handelingen bij zijn begrafenis, verlamd en verdoofd als zij waren door verdriet en verbijstering. Daarna de sabbat, de rustdag, die voor hen eerder een dag van storm in de ziel was geweest.
En toen was de eerste dag gekomen, die reeds vroeg was begonnen met de meest wonderlijke, haast ongelooflijke dingen.
Heel vroeg in de morgen was Maria met de mededeling gekomen, dat het graf geopend was en dat het lichaam er niet meer was. Johannes en Petrus hadden gezien, dat het waar was, en ook de vrouwen, die met specerijen naar het graf gegaan waren. Bovendien hadden zij engelen gezien, die hun gezegd hadden, dat Hij was opgestaan.
Maria had Hem ontmoet, Hij was aan Petrus verschenen en Cleopas en zijn vriend hadden Hem bij de broodbreking herkend.
Wat een dag, die vroege morgen,
toen het graf geopend bleek,
waar de Meester was geborgen,
toen het al verloren leek.
Wat een dag,
toen zij Hem zag
en na Jezus' eerste woorden
ook haar naam "Maria" hoorde.
Wat een dag, toen twee tezamen,
van Jeruzalem naar huis,
onderweg Hem tegenkwamen
en Hem pas herkenden thuis.
Bij het brood,
dat Hij hun bood,
kon het geen geheim meer wezen:
Jezus Christus was herrezen.
Maar ook die dag, vol verwarrende, verblijdende en verbazingwekkende dingen, was voorbijgegaan en op de avond waren de discipelen bijeen. Wat bracht hen bij elkaar?
Hun liefde tot de Heer.
Zij waren zeer verschillend. Vóór het verraad van Judas hadden zij nog getwist over de vraag, wie van hen de belangrijkste was, een geschikt onderwerp om mensen uit elkaar te drijven. Maar op de avond van die dag was niemand van hen bezig met de vraag, welk nummer hij op de ranglijst had. Zij waren die avond bijeen omdat allen slechts aan die Ene dachten.
Hij had hun geen opdracht gegeven om samen te komen. En de engel bij het graf had tegen de vrouwen gezegd, dat Hij hun voorging naar Galilea en dat zij Hem daar zouden zien (Mattheüs 28:7). Hij had niets gezegd over samenkomen op die dag.
Maar dat was ook niet nodig geweest. Hij, die beloofd had voor hen een plaats in het vaderhuis te bereiden, die hen zijn vrienden genoemd had en die in zijn gebed gezegd had, dat Hij hen altijd bij zich wilde hebben, was niet aanwezig, toen zij bij elkaar kwamen, maar Hij was wel in aller hart en gedachten en er is geen gebod of bevel nodig om als familie samen te komen, als het gaat om een geliefde, met wie allen vervuld zijn. Dat is bij een begrafenis het geval, bij een huwelijk en ook bij een geboorte. Zou dat dan niet hetzelfde zijn, als een gestorven geliefde uit de dood blijkt te zijn teruggekeerd?
Waar zouden ze over gesproken hebben?
Over de Heer natuurlijk. vooral over zijn lijden en sterven, want dat had een heel diepe indruk gemaakt. Maar ook over zijn opstanding, hoewel hun gesprek daarover een beetje verward moet zijn geweest. Verwonderd en geboeid zullen ze naar het verslag van de twee uit Emmaus geluisterd hebben.
Was het dus echt waar en helemaal zeker, dat Hij was opgestaan? Was over zijn lijden en over zijn opstanding in de Schriften zoveel te vinden, als Hij aan die beiden verteld had? Hadden zij dan zoveel uit de Heilige Schriften over het hoofd gezien of verwaarloosd?
Terwijl zij zo spraken, stond Hij plotseling in hun midden, hoewel de deuren gesloten waren. En Hij zei 'vrede zij u'. Daarbij toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. En zij zagen de wonden en wisten zeker, dat het de Heer was, en zij verblijdden zich.
Wat een samenkomst is dat geweest! De discipelen met de opgestane Heer in het midden.
Wat een dag, toen zijn verschijnen
als de opgestane Heer
in het midden van de zijnen
plaats vond voor de eerste keer.
Ja, Hij leeft
en Jezus geeft
ons de tek' nen van zijn lijden
dat wij zien en ons verblijden.
Acht dagen nadien
.Een week later waren de discipelen weer bijeen, deze keer met Thomas erbij. Hij was de vorige maal thuisgebleven. Hij had niet willen geloven, dat de Heer was opgestaan en dat zij Hem gezien hadden. Maar ook op die eerste dag van de week kwam de Heer in hun midden, hoewel de deuren gesloten waren. En Thomas zag Hem met eigen ogen en hij geloofde.
Wat bracht de discipelen die keer samen?
Net als de vorige maal was dat hun liefde tot de Heer. Vrienden kunnen veel te bepraten hebben, maar nooit hadden vrienden meer te bepraten dan deze discipelen van de Heer Jezus. En waar zijn vrienden zo intens met Hem bezig waren, kwam de Heer weer bij hen. Hij stelde hen niet teleur.
Nu, meer dan 1900 jaren later.
Er zijn sindsdien vele eerste dagen van de week voorbij gegaan. Als we 1970 jaren rekenen en dat met 52 vermenigvuldigen, komen we op 102.440 eerste dagen. Dat is een respectabel aantal. Stel je eens voor, dat de discipelen de komende zondag opnieuw konden samenkomen, zou de Heer dan weer in het midden komen? Dat lijkt teveel gevraagd, of niet soms?
Dat is niet teveel gevraagd en het hoeft niet gevraagd te worden, want de Heer heeft in Mattheüs beloofd: 'Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in het midden van hen'. (18:20).
In zijn naam vergaderd zijn, is niet een toevallige ontmoeting van gelovigen, bijvoorbeeld op een camping of in een treinwagon. Dat zou moeten heten 'vergaderd tot ontspanning', of 'vergaderd als treinreizigers'. Gelovigen zijn vergaderd tot zijn naam, als niet een andere zaak hen bijeenbracht, maar het feit, dat zij in Hem geloven en met Hem bezig willen zijn. We kunnen ook zeggen: gelovigen zijn vergaderd tot zijn naam, als zij als gemeente samenkomen met geen andere binding dan de belijdenis van en het geloof in de naam van de Heer Jezus. Aan dat samenzijn heeft de Heer de belofte verbonden, dat Hij in het midden is.
Is dat niet heel bijzonder? Hij kwam twee maal op de eerste dag van de week (zover wij uit de Schrift weten) in het midden van hen, die alleen met Hem bezig waren en doet dat nog steeds. Hoe zouden wij, zijn discipelen van nu, dan doen wat Thomas gedaan heeft, afwezig blijven, zodat wij Hem niet zouden zien, zoals Thomas? Dat is toch ondenkbaar.
Stel dat een zekere gelovige erg trouw is en vanaf zijn vijftiende tot zijn vijfenzeventigste jaar in de naam van de Heer Jezus met anderen vergadert. Dan zou hij 3120 maal aanwezig zijn geweest. Maar wat is dat bij de meer dan 102.000 maal, dat de Heer aanwezig was? Bovendien, was het een straf om te komen, waar de Heer in het midden kwam? Dat zou vreemd zijn. Dan is kennelijk de liefde niet erg warm meer. Wat dan, als de Heer ons allemaal opneemt en voor eeuwig bij zich doet wonen? Dat moet dan een minder prettig vooruitzicht wezen. Als dat allemaal zo is, moet er wel iets grondig mis wezen, veel meer mis dan bij Thomas.
De Heer heeft het gezag.
'Daar ben Ik in het midden van hen'.
Dat heeft de Heer gezegd om duidelijk te maken, wie die gemeente van gelovigen kracht en gezag verleent. Want men kan de belijdenis van de naam des Heren vanzelf niet combineren met ongerechtigheid en zonde. Waar dat toch gebeurt, kan de Heer niet wonen en kan Hij ook niet zeggen: vrede zij u. Er zal dus kracht en gezag moeten zijn om zonodig op te treden en ongerechtigheid buiten te sluiten. Nu, het gezag ligt bij Hem. En de gemeente moet dat in zijn naam uitoefenen. In zijn naam, dat betekent op de wijze zoals Hij dat zou doen, naar zijn Woord.
Zeven weken later.
Zeven weken na de opstanding van de Heer Jezus was het de dag van het Joodse pinksterfeest. Dat feest begon op de dag na de sabbat, zoals we in Leviticus 23 vers 16 kunnen lezen. Op die eerste dag van de week waren de discipelen weer bijeen: 'Toen de dag van het pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen aan één plaats bijeen' (Handelingen 2:1).
Het lijkt er op, dat de discipelen er een gewoonte van maakten om op een eerste dag van de week samen te komen. In Handelingen 20 lezen we 'En op de eerste dag van de week, toen wij vergaderd waren om brood te breken, sprak Paulus tot hen' (Vers 7). Dat was veel jaren later.
Op die pinksterdag gebeurde er weer iets bijzonders. De discipelen die samengekomen waren, ontvingen op die dag de Heilige Geest, de vervulling van de belofte van de Heer. En door de kracht van die Geest van God verkondigden zij de grote werken van God in allerlei vreemde talen.
Die dag hoeft niet herhaald te worden. De Heilige Geest is gekomen en zal bij ons blijven, zoals de Heer heeft gezegd (Johannes 14:17). Ieder, die gelooft, ontvangt die Geest, wordt daarmee door God verzegeld (Handelingen 2:38 en Efeze 1:13). Men hoeft niet om die Geest te bidden, zoals de discipelen ongetwijfeld vóór de pinksterdag hebben gedaan, omdat God die belofte reeds heeft vervuld.
De gelovigen waren aanvankelijk alleen Joden. Maar zelfs nadat Paulus zijn bekende zendingsreizen had volbracht en vele gemeenten der Heidenen ontstaan waren, hielden de Joodse gelovigen zich nog aan de wet van Mozes, zoals in Handelingen 21:20 te lezen is: 'Gij ziet, broeder, hoe vele tienduizenden van Joden er zijn, die geloven en zij zijn allen ijveraars voor de wet'. Die mensen hebben uiteraard ook de sabbat gehouden en op die dag gerust. Dat weerhield hen echter niet om op de eerste dag van de week als christenen te vergaderen, temeer daar zij op de sabbat een andere samenkomst hadden, namelijk in de synagoge.
Er is ongetwijfeld geen vermenging van de sabbat met de eerste dag geweest, evenmin een verwisseling. De sabbat was en bleef de zevende dag, maar de dag van de opstanding, van een nieuw begin door Jezus Christus, was de eerste dag.
En daarin is sindsdien niets veranderd.
Er zijn nog steeds Joden, die de sabbat houden. Maar op de eerste dag van de week mogen zij die in Jezus Christus geloven, in zijn naam samenkomen en weten, dat Hij in hun midden is. Wat drijft hen? Als het goed is hun liefde tot de Heer, zoals in het begin. Wat zoeken zij en waarover spreken en zingen zij? Hun Heer, die voor hen gestorven en opgestaan is.
Zij zien Hem niet zoals Hij die eerste en tweede maal werd gezien. Maar in brood en beker toont Hij hun wel de tekenen, die net zo spreken als de wonden in zijn handen en zijn zijde. En zij kunnen, net als Thomas, Hem aanbidden als hun Heer en hun God. De Vader zoekt ook aanbidders, die Hem aanbidden in Geest en in waarheid (Johannes 4:23).
De wet had voor iemand die tussen de regels door kan lezen, al reden gegeven om te vermoeden, dat de eerste dag van de week, de dag na de sabbat, in Gods dagrekening een bijzondere plaats moest hebben of krijgen. Want de eerste korenschoof, die elk jaar als beweegoffer in het heiligdom getoond werd, moest niet op de sabbat, maar op de dag na de sabbat in het heiligdom getoond worden. En op het daarop volgende feest der weken, zeven weken later, moesten twee broden gebracht worden, niet op de sabbat, maar op de dag na de sabbat. Er moest dan ook een heilige samenroeping plaats vinden. Zie daarvoor Leviticus 23:10-21. Waarom op die dag?
Omdat het om iets nieuws ging. Op de dag, waarop die eerste korenschoof bewogen werd, is de Heer opgestaan en op de dag waarop de twee broden gebracht werden, werd met de uitstorting van de Heilige Geest de gemeente geboren. Een nieuw begin, leven uit de dood, door Jezus Christus. Daarvan spreekt die eerste dag tot op heden. Of is hij voor u alleen een vrije dag?
De Heer had het voorzien.
Ja, de Heer heeft het allemaal geweten. En Hij heeft gedacht aan de vele jaren, die nog zouden komen, waarin de gelovigen bij elkaar zouden zijn. Zij konden dat niet voorzien, maar Hij wist, dat Hij naar zijn Vader zou terugkeren en dat er een zekere leegte zou zijn, als Hij niet meer zichtbaar in hun midden zou verschijnen. Er zou daardoor bovendien het gevaar zijn, dat ze zouden vergeten, hoe zij verlost waren. Daarom heeft Hij in de laatste nacht, waarin Hij voor zijn gevangenneming met zijn discipelen samen was, het avondmaal ingesteld. Doet dat tot mijn gedachtenis, heeft Hij daarbij gezegd.
Zoals we al overdacht hebben, heeft Hij ons daardoor tekenen gegeven, die van zijn lichaam en zijn bloed, dat is van Hem en van zijn dood spreken. Wat een zegen, dat de Heer ons dat gegeven heeft, wat een zegen, dat Hij ons in die tekenen telkens zijn wonden laat zien, wat een zegen, dat Hij ons daardoor telkens tot bij het kruis brengt. Het is bijna vanzelfsprekend, dat we dat avondmaal vooral vieren op de dag, waarop we als christenen gewoonlijk samenkomen, dat is op de eerste dag van de week.
In het evangelie van Lukas lezen we, dat er onder de discipelen twist ontstond over de vraag wie de meeste van hen was (Lukas 22:24). Het lijkt vreemd, dat de Geest van God ons dat treurige feit meedeelt als we over de instelling van het avondmaal lezen. Is dat nu een geschikte gelegenheid om over dat falen van de discipelen te schrijven?
Zou het niet zijn om ons te waarschuwen, ons een spiegel voor te houden? Zij waren met dat dwaze onderwerp bezig vlak voor het lijden van de Heer. En het valt te vrezen, dat ook wij, als brood en wijn ons bepalen bij Zijn vernedering tot in de dood, in ons denken bezig kunnen zijn onszelf te verhogen boven broeders en zusters. Hoe beschamend is dat.
Of zouden wij beter zijn dan de discipelen? Vast niet.
O nee, het staat er niet voor niets. De Heer heeft ongetwijfeld geweten, dat onze zwakheden en fouten dezelfde zijn, als zijn discipelen toen hadden. We zijn gewaarschuwd, en wie kan zeggen, dat hij die waarschuwing niet nodig heeft?
Hoe de Heer het in zijn huis wil hebben.
Op Gods tijd werd ook aan de heidenen het evangelie gepredikt. Velen van hen kenden de Joodse geschriften niet en waren geneigd zich in hun samenkomsten te laten leiden, door wat ze eertijds in de wereld gekend hadden. Met name in Korinthe deden zich misstanden voor. De apostel Paulus heeft de gelovigen daar geschreven over de wijze, waarop zij zich in de gemeente, dat is Gods huis op aarde, moesten gedragen en ze bekend gemaakt met de wil van de Heer voor zijn huis. Aangezien de eerste brief aan Korinthe nadrukkelijk ook gericht is aan 'allen, in elke plaats, die de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen', geldt hetgeen de apostel over de gemeente geschreven heeft, niet alleen voor de Korinthiërs, maar voor alle gelovigen, waar dan ook.
Hij heeft meerdere onderwerpen aan de orde gesteld:
Geen naam tot onderscheiding van anderen.
|