Site tot bemoediging, lering en bevestiging in de waarheid, die in Christus Jezus is.
 

Sluit niet als God opent.

Je vraagt je soms af, of je verkeerd gelezen of onthouden hebt. Neem de ark van Noach.
Er staat in Genesis 7:16, dat de Heere de deur van de ark sloot nadat alle dieren waren binnengegaan. Dan moet die deur steeds open gestaan hebben. Maar sommigen wekken de indruk, dat Noach de deur moest dicht houden of hoogstens met een heel klein kiertje open laten.
En bij de verlossing uit Egypte moesten de Israëlieten het bloed van het paaslam aan de deurposten aanbrengen. Moest Mozes hun zeggen, dat ze maar moesten hopen dat de Heere dat bloed aan de deurposten zou strijken, daar zij immers dode zondaars waren en niets konden doen, ook geen bloed strijken?
Of de slang in de woestijn. Een Israëliet die door een slang gebeten was, moest naar de koperen slang op het hout kijken om gezond te worden. Maar soms lijkt het dat je moest afwachten of de Heere je hoofd in de richting van die slang draaide of niet. De vrouw, die volgens Lukas 8 twaalf jaar ziek was geweest, raakte de zoom van Christus’ kleed aan, overtuigd, dat ze dan gezond zou worden. Maar soms lijkt het dat er staat, dat de Heere haar kleed aanraakte om haar gezond te maken.
Of die kleine kinderen, die door de moeders bij de Heere werden gebracht. Heeft Hij gezegd “Houd ze maar tegen, want ik zal wel naar hen toekomen als ik dat nodig vind?” Neen, Hij zei “Laat de kindertjes tot Mij komen”.
En de verloren zoon, heeft hij gezegd “Ik hoop maar, dat mijn vader naar mij toekomt”? Neen, hij zei “Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan”.
De Heere heeft gezegd “Komt allen tot mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal U rust geven”. Hij heeft niet gezegd “Wacht maar af of Ik naar U toe kom, want u bent dood en kunt niet lopen”.

Waarom deze opsomming?
Omdat er telkens zijn, die inderdaad de deur sluiten, zodat een zondaar niet kan binnengaan, predikers die bezig zijn de gescheurde voorhang weer dicht te naaien. Daaraan moest ik denken bij het lezen van het volgende:
Zo is voor de een de uitdrukking “het aannemen van Jezus” vanzelfsprekend waar en voor de ander een vanzelfsprekend gevaar…… Waar hebben we het eigenlijk over als we nadenken over het woord “aannemen” als een van de bijbelse woorden voor wat het geloof is en doet? Over de lege bedelaarshand die ontvangt wat Hem geschonken wordt. Maar die bedelaar is geen standbeeld! In de uitgestoken hand van een levenloos beeld kun je van alles leggen, maar het neemt het uiteraard niet aan in een persoonlijke toeeigening. Daarom: een dode zondaar kan Christus niet aannemen en een levendgemaakte zondaar kan niet anders dan Hem aannemen.

De redenering lijkt sluitend, maar is het niet.
Is het waar dat een dode zondaar niets kan doen, Christus niet aannemen, niet geloven, zich niet bekeren?
Er was een dode. Hij had reeds vier dagen in het graf gelegen en rook niet fris meer. Maar toen Christus riep “Lazarus kom uit” kwam hij levend en wel naar buiten. Kennelijk kon hij wel horen, dat wil zeggen, hij hoorde de stem van Jezus en kwam, hoewel hij werkelijk gestorven was.
In Johannes 5:25 heeft de Heere gezegd: “Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, de ure komt en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem van de Zoon Gods en die ze gehoord hebben, zullen leven”. Let wel, Hij zei niet dat ze zouden horen nadat Hij ze had levend gemaakt, maar dat ze zouden leven door het horen van zijn stem. Geestelijk dode zondaars zouden horen en daardoor leven. Zij kunnen dus horen.

De verkeerde redenering is wel erg verkeerd, want een dode zondaar zou Christus niet kunnen aannemen, maar een levend gemaakte zondaar wel. Dat zou betekenen, dat een dode zondaar van God leven moet ontvangen voordat hij Christus kan aannemen. Die levend gemaakte zondaar zou dan voor hij Christus heeft aangenomen, leven hebben zonder Christus. Hij heeft de Zoon nog niet, want die moet hij nog aannemen, maar heeft al wel het leven. Klopt dat? Is dat bijbels? Absoluut niet!
Wie de Zoon heeft, heeft het leven.
Wie de Zoon Gods niet heeft, heeft het leven niet (! Johannes 5:12). Er is geen leven voor een zondaar buiten de Zoon. De Zoon is het leven en wie Hem niet heeft aangenomen, heeft geen (geestelijk) leven, ook niet eventjes. Het leven is uitsluitend door het aannemen van de Zoon.
Een Israëliet werd van een slangebeet genezen door gelovig te zien. Hij ging niet zien nadat en doordat hij genezen was.
Hoe luidt Johannes 3:14-16 ook weer?
14 En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden;
15 Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
16 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.


Vers 14: wie in Hem gelooft, heeft eeuwig leven. Voordien heeft die zondaar geen leven.
Vers 15: wie in Hem gelooft, heeft eeuwig leven, Voordien geen leven.
God geeft geen leven opdat iemand kan geloven en aannemen. Het omgekeerde is de waarheid:
De zondaar ontvangt het leven door te geloven en aan te nemen.

Waarom wordt een zondaar een dode zondaar genoemd? Omdat hij geen vruchten voor God kan voortbrengen. De term wordt in Schrift niet gebruikt om duidelijk te maken, dat die zondaar niets kan doen.
Een zondaar kan heel veel doen. Stelen, liegen, moorden en nog veel meer. Ook vullen zondaars de aarde met hun bouwwerken. Ze zijn alleen daarin dood, dat ze voor God geen vruchten maar dode werken voortbrengen. Het is verkeerd de uitdrukking “dode zondaar” te gebruiken om aan te tonen, dat die zondaar dus niet kan geloven, zich niet kan bekeren, Christus niet kan aannemen enzovoort. Met hetzelfde recht kan dan gezegd worden dat hij ook niet kan zondigen. We weten echter wel beter.
Hij kan door de werking van Gods Geest, die door het Woord aan zijn hart klopt, tot God roepen, om genade smeken, het evangelie geloven en Jezus Christus aannemen. Het geloof komt namelijk uit het horen (van Gods Woord). Het is niet iets dat God naar willekeur of verkiezing aan deze of gene geeft. Romeinen 10:17 zegt: Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods. Maar wie hoort, kan ook doen wat de Joden in het sanhedrin deden: zich verzetten tegen het werk van Gods Geest (Handelingen 7).
(Wie meent dat het Woord Gods geen leven kan wekken waar geen leven is, kent de Schrift niet. Door het Woord Gods zijn de dingen die men ziet geworden, en zonder het Woord is niets geworden, dat geworden is. De schepping is door het Woord, de herschepping eveneens. Leven van planten, dieren en mensen is door het Woord. Het nieuwe leven is ook door het Woord (Johannes 1:1-3). Zo zal ook niemand geloven zonder het Woord. Waar niets gehoord wordt, valt niets te geloven.)
De schrijver haalde verder in het artikel Johannes 3:27 aan, waar staat: “Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij”. Dat is echter te kort aangehaald. De gehele passage luidt als volgt:
26 En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem.
27 Johannes antwoordde en zeide: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit den hemel niet gegeven zij.
28 Gijzelven zijt mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet; maar dat ik voor Hem heen uitgezonden ben.
29 Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.
30 Hij moet wassen, maar ik minder worden.

Waarover wordt hier gesproken?
Over hetgeen de Heere Jezus deed. Discipelen van Johannes vroegen zich af, of het wel juist was dat de Heere ook doopte en dat zovelen Hem volgden. Haalde de Heere niet ten onrechte een werk naar zich toe, dat aan Johannes was toevertrouwd? Daarop antwoordde Johannes “een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij”. Hij bedoelde dat geen mens een functie als dienstknecht Gods of een bijzondere opdracht van God kan aannemen, tenzij God die opdracht zelf geeft. Johannes had zo een taak en opdracht van God ontvangen.. Maar de Heere Jezus nog veel meer.
We kunnen het vergelijken met Hebreeën 5:4 en 5, waar het over het hogepriesterschap gaat, ook zo een dienst of functie: 4 En niemand matigt zichzelf die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aaron.
5 Alzo heeft ook Christus Zichzelven niet verheerlijkt, om Hogepriester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.


De bedoelde woorden willen dus helemaal niet zeggen, dat niemand kan aannemen wat God aanbiedt. Dat is het onderwerp niet en zo zijn die woorden ook niet bedoeld. Het is totaal verkeerd ze zo uit het verband te lichten en rim ram naar willekeur te gebruiken.
Natuurlijk moet de Heere geven. Hij biedt het ook aan. Iedere zondaar wordt uitgenodigd om het water des levens te nemen. Het is dwars tegen Gods bedoeling in om mensen te leren, dat zij niet kunnen aannemen. Daardoor wordt de deur, die God voor zondaars opent, voor hun neus in het slot gegooid, een boos werk. Wie meent dat God uitnodigt en het kostelijkste heil voorhoudt, maar dan zegt “Je kunt het toch niet aannemen”, kent de genade van God nog niet.

Gods deur is nog open
en niemand kan sluiten,
de zondaar mag hopen,
God sluit niemand buiten.
Er is nog gena voor elkeen die gelooft,
dat heeft ons de Heer in de Bijbel beloofd.

Ga niet in de weg staan,
wil niemand verhind’ ren,
laat zondaars vrij toegaan,
God maakt ze zijn kind’ ren.
God nodigt ze uit en Hij schrikt ze niet af.
Of kent u nog niet de gena die God gaf?

J.Ph.Buddingh

top