|
Site tot bemoediging, lering en bevestiging in de waarheid, die in Christus Jezus is.
|
|
| |
Het Verbond.
’t Verbond met Abraham zijn vrind
bevestigt Hij van kind tot kind.
Dat verbond wordt in Genesis 15:18-21 genoemd:
18 Te dien dage sloot de HERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat:
19 De Keniet, de Kenizziet, de Kadmoniet,
20 de Hethiet, de Perizziet, de Refaieten,
21 de Amoriet, de Kanaaniet, de Girgasiet en de Jebusiet.
Dat is de eerste vermelding. Het bestond uit beloften die God aan Abraham gaf. Het wordt opnieuw genoemd in Genesis 17:
1 Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HERE aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk;
2 Ik zal mijn verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk maken.
3 Toen wierp Abram zich op zijn aangezicht en God sprak tot hem:
4 Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden;
5 en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb.
6 Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.
7 Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn.
8 Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft het ganse land Kanaan, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn.
9 Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten.
10 Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde;
11 gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u.
12 Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: zowel wie in uw huis geboren is, als wie van enige vreemdeling voor geld is gekocht, doch niet van uw nageslacht is.
13 Wie in uw huis geboren is en wie door u voor geld gekocht is, moet voorzeker besneden worden; zo zal mijn verbond in uw vlees zijn tot een eeuwig verbond.
14 En de onbesnedene, de man namelijk, die het vlees van zijn voorhuid niet laat besnijden, die mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten: hij heeft mijn verbond verbroken.
Besnijdenis was wat het woord zegt. Het mes ging in het vlees. Het had en heeft een oordeelskarakter. We zijn mensen van vlees en bloed en de Bijbel zegt ons in Romeinen 8:
de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede.
7 Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet:
8 zij, die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen. (verzen 6-8).
Het vlees is niet te verbeteren en moet dus geoordeeld worden. Het mes moet dus in het vlees en dat is het karakter van de besnijdenis: dood en oordeel.
Abraham en zijn nakomelingen moesten zich daarvan bewust zijn en het teken daarvan in hun lichaam dragen. Maar dat teken moest op de achtste dag worden aangebracht, merkwaardig. Inderdaad, waard om op te merken, want de achtste dag is tegelijk de eerste na de zeven dagen van een week. Die dag spreekt van een nieuw begin, zoals de opstanding van Christus spreekt van leven dat de dood heeft overwonnen.
Besnijdenis op een andere dag zou alleen van oordeel spreken, waarna er geen hoop meer is. Maar de achtste dag spreekt van nieuw leven. Dan mag de besnijdenis ook zonder bezwaar het einde van het oude en zondige symboliseren.
Symboliseren, want het was alles niet de werkelijkheid, doch slechts een afbeelding van de werkelijkheid bij iemand die kan zeggen, dat hij door het geloof met Christus gekruisigd en gestorven is (besnijdenis) en met Hem is opgestaan (achtste dag).
Het beeld, de besnijdenis, betekende niet de verlossing van de besnedene, terwijl anderzijds iemand die door geloof met Christus gestorven is, wel degelijk verlost en behouden is.
In dit verbond beloofde God aan Abraham een talrijk nageslacht en het bezit van het land Kanaan. Zijn nageslacht was verplicht de besnijdenis toe te passen. Die besnijdenis werd toegepast op een jongen die met een natuurlijke geboorte uit Abrahams geslacht geboren was. Wedergeboorte of geloof waren daarbij niet aan de orde.
Dit verbond betekende niet, dat de kinderen uit het geslacht van Abraham gelovig zouden zijn of de zaligheid zouden beërven. We weten bijvoorbeeld dat Ezau een onverschillig mens was. In Hebreeën 12:16 wordt van hem gezegd:
Laat niemand een hoereerder zijn, of onverschillig als Esau, die voor een spijze zijn eerstgeboorterecht verkocht.
17 Want gij weet, dat hij later, toen hij toch de zegen wilde erven, afgewezen werd, want toen vond hij geen plaats voor berouw, hoewel hij het onder tranen zocht.
De Leidse vertaling geeft van vers 17 de juiste weergave:
16 dat niemand een hoereerder zij, of een onheilige als Ezau, die voor een enkel gerecht zijn eerstgeboorterecht prijsgaf.
17 Want gij weet dat hij, toen hij later den zegen wilde beërven, afgewezen werd; hij vond geen gelegenheid tot berouw, hoewel hij den zegen onder tranen zocht.
Dat is correct. Ezau zocht geen berouw, hij zocht alsnog een zegen.
We weten uit Genesis 27:36 dat Ezau zijn broer leugenachtig beschuldigde, want Jakob had zijn zegen niet gestolen, maar hij had zelf de zegen van God onverschillig en met een eed voor een bord eten verkocht. Bovendien zegt ons vers 38 van dat hoofdstuk, dat hij een zegen zocht. Dat Ezau berouw zocht, is in Genesis niet te vinden.
De Lutherse vertaling geeft voor vers 16 aan Ezau de betiteling “goddeloze”. Dat geeft de bedoeling beter weer dan wat de NBG vertalers gekozen hebben. Wie God en zijn zegen verachten, zijn zeker goddeloos.
Ezau was zonder twijfel besneden. Desondanks was hij ongoddelijk, het omgekeerde van een mens Gods.
Geloof en besnijdenis.
Paulus heeft in Romeinen 4 geschreven, dat Abraham door geloof gerechtvaardigd is, wat we trouwens in Genesis ook lezen.
In 4:11-13 heeft hij vervolgens geschreven:
Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend.
10 Hoe werd het hem dan toegerekend? Was hij toen besneden of onbesneden? Niet besneden, maar onbesneden.
11 En het teken der besnijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof, dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo kon hij een vader zijn van alle onbesneden gelovigen, opdat hun de gerechtigheid zou worden toegerekend,
12 en een vader van de besnedenen, voor hen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook treden in het voetspoor van het geloof, dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat bezat.
13 Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs.
De besnijdenis wordt hier het zegel genoemd, niet van het verbond, maar van de gerechtigheid des geloofs bij Abraham. Volgens vers 11 kon hij een vader voor onbesneden gelovigen zijn, omdat ook hij geloofd heeft in onbesneden staat, terwijl vers 12 zegt, dat hij een vader kon zijn van hen die besneden zijn en net als Abraham geloven.
Besneden of onbesneden, slechts die geloven, worden als zaad van Abraham erkend. Hij wordt in deze woorden niet voorgesteld als een vader van besnedenen die niet geloven.
In Romeinen 9 staat dan ook:
niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël,
7 en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Izaak zal men van nageslacht van u spreken.
8 Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloften gelden voor nageslacht.
9 Want er ligt een belofte in dit woord: omstreeks deze tijd zal Ik komen en Sara zal een zoon hebben. (verzen 6-9).
Natuurlijk waren allen die van Jakob afstamden, kinderen van Abraham in natuurlijke zin. Maar geestelijk nageslacht waren alleen zij, die geloofden.
Ezau, Korach, Dathan, Abiram, Achab, Judas de verrader en vele anderen konden niet op grond van het verbond met Abraham op enige zegen aanspraak maken. Abraham was hun vader niet.
De volkomen vervulling van de beloften die aan Abraham zijn gegeven, zullen daarom de Israëlieten beleven, die zich als een overblijfsel van dat volk in de toekomst tot de Here bekeren zullen.
Wat de besnijdenis voor de christenen betekent.
In 1 Korinthe 10 lezen we het volgende:
Want ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee heengingen,
2 allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee,
3 allen hetzelfde geestelijke voedsel aten,
4 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus.
5 En toch heeft God in het merendeel van hen geen welgevallen gehad, want zij werden neergeveld in de woestijn.
6 Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden. ( Verzen 1-6)
We begrijpen daaruit, dat God ons in de geschiedenissen uit lang vervlogen tijden, die in de Schrift zijn opgetekend, voorbeelden of illustraties heeft gegeven van lessen die voor ons van betekenis zijn. De beelden zijn altijd van mindere, lagere of van meer aards karakter, zoals de rots minder is dan wat hij afbeeldde, dat is Christus: “zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen meeging, en die rots was de Christus” (1 Korinthe 10:4).
In Galaten 4:22-24 schrijft Paulus over hetzelfde beginsel:
22 Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, een bij de slavin en een bij de vrije.
23 Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte.
24 Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinai, die slaven baart, dit is Hagar.
De woorden “een diepere zin” in vers 24 zijn de vertaling van het Griekse “allaygoreho”, waarin we ons woord allegorie herkennen. Dat is precies wat bedoeld wordt.
Als we dit weten, begrijpen we ook, dat een Joodse man, die met het litteken van de besnijdenis moest leven, een beeld is van de christen, die het vonnis van de dood met zich meedraagt.
Die Joodse man was mogelijk niet bekeerd en gelovig; hij was dan ook slechts een beeld van een gelovige christen.
De Here Jezus heeft gezegd, dat we ons kruis moeten dragen om Hem te kunnen volgen. Wie zijn kruis droeg, droeg zijn oordeel, zijn dood. We zijn immers met Christus gekruisigd.
Het vlees is bij ons geoordeeld in het oordeel over Christus, toen Hij tot zonde werd gemaakt. Daarom vertrouwen we niet meer op het vlees en kon Paulus in de brief aan de Philippenzen over de christen schrijven:
Want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen. (3:3).
In ons leven als christen behoort dus zichtbaar te zijn, dat de oude mens bij ons geoordeeld is en zich niet meer roert.
Moeten christenen besneden worden?
Dat meenden enige gelovige Farizeeën:
5 Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te houden. (Handelingen 15:5).
Het besluit dat ten aanzien van deze bewering onder leiding van Gods Geest is genomen, luidde:
het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, u verder geen last op te leggen dan dit noodzakelijke:
29 onthouding van hetgeen de afgoden geofferd is, van bloed, van het verstikte en van hoererij; indien gij u hier voor wacht, zult gij wel doen. Vaart wel! (Hand. 15:28-29).
Christenen moeten zich dus niet laten besnijden.
In de brief aan de Galaten heeft Paulus geschreven:
2 Zie, ik, Paulus, zeg u: indien gij u laat besnijden, zal Christus u geen nut doen.
3 Nogmaals betuig ik aan ieder, die zich laat besnijden, dat hij verplicht is de gehele wet na te komen.
4 Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat gij.
5 Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen.
6 Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende.
7 Gij liept goed. Wie is u in de weg gekomen, dat gij aan de waarheid niet meer gehoorzaamt?
8 Die overreding kwam niet van Hem, die u roept.
9 Een weinig zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur.
10 Ik voor mij ben van u overtuigd in de Here, dat gij geen andere mening zult hebben. Maar wie u in verwarring brengt, zal zijn straf hebben te dragen, wie hij ook zij. (Galaten 5:2-10).
Paulus schreef dus gestrenge woorden tegen de leer, dat een christen zich moet laten besnijden.
Het is echter opvallend, dat er noch in Handelingen 15, noch in de brief aan de Galaten, noch in Philippenzen 3 op gewezen wordt, dat besnijdenis niet moet worden toegepast omdat de doop daarvoor in de plaats is gekomen. Dat zou voor de hand liggend zijn om duidelijk te maken, dat christenen zich niet moeten laten besnijden.
Maar waar in het Nieuwe Test. wordt bestreden, dat christenen zich moeten laten besnijden, wordt nooit gezegd, dat de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen.
Waarom niet?
Omdat de veroordeling van ons boze vlees heeft plaats gevonden in het oordeel, dat Christus droeg en in zijn dood.
Paulus zegt dat in Kolosse zo:
11 In Hem (Christus) zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus (Kolosse 2:11).
In vers 12 volgt daarop, dat we met Christus begraven zijn in de doop. Dat is begrijpelijk, want vers 11 sprak van de dood en daarop volgt immers een begrafenis. De doop is dus de begrafenis van iemand die (met Christus) gestorven is.
Dat wordt bevestigd door hetgeen in Romeinen 6 over de doop is geschreven:
Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?
3 Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn?
4 Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. (verzen 2-4).
De Schrift leert ons, dat een christen met Christus is
a) gestorven,
b) begraven en
c) opgestaan.
a) De besnijdenis spreekt van het oordeel over het vlees, de dood. Die heeft in Christus plaats gevonden,
b) de begrafenis wordt beklemtoond door de doop,
c) de opstanding wordt openbaar in het nieuwe leven van de christen.
In de plaats van de besnijdenis is niet de doop, maar de dood van Christus gekomen. Daarom zegt de Schrift nergens, dat de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen.
Voor wie is het verbond?
Voor Abraham en zijn nageslacht.
Dat zijn de Israëlieten, althans lichamelijk.
En het zijn zij die geestelijk Abraham als vader hebben.
Paulus beschreef dat in Galaten 3:29 als volgt:
26 Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus.
27 Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed.
28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers een in Christus Jezus.
29 Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.
In het denken van velen wordt het omgedraaid: Indien gij Abrahams zaad zijt, zijt ge van Christus. Maar zo is het niet geschreven. Heidenen zijn geen zaad van Abraham tenzij door het geloof. Wie onder hen niet geloofd heeft, is geen zaad van Abraham, noch natuurlijk, noch geestelijk.
Wanneer werd iemand natuurlijk zaad van Abraham? Na een natuurlijke geboorte.
Wanneer wordt iemand geestelijk zaad van Abraham? Na een geestelijke geboorte, dat is na wedergeboorte, ook al stamt hij uit een niet Israëlitisch geslacht.
Wie niet lichamelijk van Abraham afstamt, wordt door natuurlijke geboorte geen nageslacht van hem, geen natuurlijk nageslacht en evenmin geestelijk nageslacht.
Het verbond met Abraham was voor hem en zijn nageslacht. iemand die geen Jood (of Israëliet) is en ook niet heeft geloofd, valt buiten dat verbond.
Henoch, Noach, Job en Melchizedek, zeer godvrezende mannen, hadden evenmin deel aan dat verbond. Zij zijn echter zonder twijfel in Gods heerlijkheid. Een mens die zich niet heeft bekeerd, staat buiten dat verbond, maar wordt wel door Gods genade gezocht en geroepen en wordt, indien hij zich bekeert, een kind van God en geestelijk zaad van Abraham.
Genade gaat uit tot het einde der aarde
en zoekt wie verloren en hulpeloos dwaalt.
Die God die zijn Zoon, zijn Geliefde niet spaarde,
verblijdt zich in ieder die thuis wordt gehaald.
Want het Lam, dat Hij sloeg,
die het oordeel verdroeg,
reinigt ieder die tot Hem wil komen,
dat is eeuwig genoeg.
Het verbond is voor Abrahams nageslacht, maar dan wel geestelijk nageslacht, besneden en onbesneden. Door bekering en geloof, en niet door natuurlijke geboorte, wordt iemand Abrahams nageslacht.
Gods boodschap is dan ook “bekeert u en gelooft het evangelie”.
Zonder geloof zal niemand God behagen.
Het verbond bij de Sinai.
Er was ook het verbond dat bij de Sinai met Israël gesloten is. Het was het werkverbond, waarbij Israël zich verplichtte Gods wet te houden. Israël heeft dat werkverbond door ongehoorzaamheid verbroken. We moeten het niet met het verbond met Abraham verwarren, want dat had niets met de wet te doen, die vierhonderd jaar later pas gegeven is.
Dat verbond van de Sinai is uitsluitend met het volk Israël gesloten. De gemeente van Jezus Christus heeft daar niets mee te maken. Daarom betrekken we dat verbond niet in onze beschouwing.
Het Nieuwe Verbond.
Dat zal in de toekomst met Israël en Juda- de twaalf stammen dus-
gesloten worden:
31 Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal.
32 Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des HEREN.
33 Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des HEREN: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.
34 Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken. (Jeremia 31:31-34).
Vers 33 zegt, dat de Here dat nieuwe verbond met Israël zal sluiten “na deze dagen”. Na welke dagen zal dat zijn?
Het antwoord vinden we in de voorafgaande woorden:
7 Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden.
8 Op die dag zal het gebeuren, luidt het woord van de HERE der heerscharen, dat Ik het juk van hun hals zal verbreken en hun banden zal verscheuren; vreemden zullen hen niet meer knechten,
9 maar zij zullen de HERE, hun God, dienen en David, hun koning, die Ik hun verwekken zal.
10 Gij dan, vrees niet, mijn knecht Jakob, luidt het woord des HEREN, en wees niet verschrikt, Israël, want zie, Ik verlos u uit verre streken, uw nakroost uit het land hunner gevangenschap; Jakob zal terugkeren en rustig en veilig zijn, door niemand opgeschrikt.
11 Want Ik ben met u, luidt het woord des HEREN, om u te verlossen; want Ik zal met alle volken waaronder Ik u verstrooid heb, voorgoed afrekenen, maar met u zal Ik niet voorgoed afrekenen, doch naar recht u tuchtigen, al zal Ik u zeker niet vrij laten uitgaan. (Jeremia 30:7-11).
De tijd van benauwdheid voor Jakob zal de toekomstige grote verdrukking zijn, waarin de antichrist zich als god laat aanbidden en allen die weigeren hem te eren, zal vervolgen. Zwaar zal de nood voor het overblijfsel van Israël wezen, zwaar als de honger voor de broers van Jozef. Maar de druk zal ten goede wezen, want daardoor zullen zij, als die broers uit het verre verleden, hun zonde in de verwerping van hun Broeder en Koning gaan inzien en belijden, waarna God een keer zal brengen in hun lot:
Ik heb u geslagen, zoals een vijand slaat, zoals een meedogenloze tuchtigt, om de grootte van uw ongerechtigheid, omdat uw zonden geweldig zijn.
15 Wat schreeuwt gij om uw breuk, omdat uw pijn dodelijk is? Om de grootte van uw ongerechtigheid, omdat uw zonden geweldig zijn, heb Ik u dit aangedaan.
16 Daarom zullen allen die u verslinden, verslonden worden, al uw vijanden tezamen in gevangenschap gaan, uw plunderaars ter plundering worden en zal Ik al uw berovers ten roof overgeven.
17 Want Ik zal u genezing schenken, u van uw wonden genezen, luidt het woord des HEREN, omdat men u, Sion, de verstotene noemt, degene naar wie niemand vraagt.
18 Zo zegt de HERE: Zie, Ik breng een keer in het lot van de tenten van Jakob en over zijn woningen zal Ik Mij ontfermen: de stad zal op haar puinheuvel herbouwd worden en de burcht op zijn rechte plaats tronen.
19 Dan zal het loflied uit hun midden opstijgen, vreugdegedruis; Ik zal hen vermeerderen en zij zullen niet verminderen; Ik zal hen tot eer brengen en zij zullen niet veracht zijn.
20 Zijn zonen zullen zijn als eertijds, zijn vergadering zal bestendig voor Mij zijn en aan al zijn verdrukkers zal Ik bezoeking doen.
21 Zijn vorst zal uit hem voortkomen, zijn heerser uit zijn midden opstaan, en hem zal Ik doen naderen, dat hij tot Mij genake; want wie zou zijn hart ten borgtocht kunnen geven om tot Mij te genaken? luidt het woord des HEREN.
22 Dan zult gij Mij tot een volk zijn en zal Ik u tot een God zijn. (Jer. 30:14-22).
zo zegt de HERE: Jubelt van vreugd over Jakob, juicht om het hoofd der volkeren, verkondigt, looft en zegt: de HERE heeft zijn volk verlost, het overblijfsel van Israël.
8 Zie, Ik breng hen uit het land van het noorden en verzamel hen van de einden der aarde; onder hen blinden en lammen, zwangeren en barenden tezamen; in een grote schare zullen zij hierheen terugkeren.
9 Onder geween zullen zij komen en onder smeking zal Ik hen leiden; Ik zal hen voeren naar waterbeken op een effen weg, waarop zij niet struikelen. Want Ik ben Israël tot een vader, en Efraim, die is mijn eerstgeborene.
10 Hoort het woord des HEREN, o volken, verkondigt het in verre kustlanden en zegt: Hij, die Israël verstrooide, zal het verzamelen en het behoeden als een herder zijn kudde.
11 Want de HERE maakt Jakob vrij en verlost hem uit de macht van wie sterker is dan hij.
12 Zo komen zij jubelend op de hoogte van Sion en stromen toe naar het goede des HEREN, naar koren, most en olie, naar schapen en runderen; hun ziel zal zijn als een besproeide hof, zij zullen nooit meer versmachten.
13 Dan verheugt zich het meisje in de reidans, jongelingen en grijsaards tezamen. Ik verander hun rouw in vreugde. Ik troost en verblijd hen na hun smart. (Jer. 31:7-13).
Het nieuwe verbond zal dus met het huis van Israël gesloten worden, nadat de Here zich over hen weer ontfermd heeft en hen heeft teruggebracht in hun land (Dat is nu nog niet vervuld, al denken sommigen dat. Het vindt pas plaats na hun bekering.)
Maar de Here sprak van het bloed van het nieuwe verbond.
Toen de Here het avondmaal instelde, heeft Hij gezegd:
27 En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit.
28 Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. (Mattheus 26:27en 28).
20 Evenzo de beker, na de maaltijd, zeggende: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, die (dat) voor u uitgegoten wordt. (Lukas 22:20)
De NBG vertalers hebben hier geblunderd. De beker werd niet uitgegoten, maar gedronken. Wat wel werd uitgegoten was het bloed van Christus.
De Here heeft dus gezegd, dat zijn bloed het bloed van het nieuwe verbond is. Als dan dat nieuwe verbond in de toekomst met Israël gesloten zal worden, wat moeten wij daar dan mee? En als dat verbond in de toekomst wordt gesloten, hoe kan dan het bloed van Christus -reeds bijna twintig eeuwen terug vergoten- het bloed van dat verbond zijn?
Het koninkrijk der hemelen was nabij gekomen,
maar het is niet gekomen.
Ja, Johannes predikte, dat het koninkrijk der hemelen nabij gekomen was, evenals aanvankelijk de Here zelf en zijn discipelen.
Maar het koninkrijk is niet opgericht; in plaats daarvan hebben zij de Koning aan een kruis gehangen en verklaard dat zij geen koning hadden dan de keizer.
Na de uitstorting van de Heilige Geest heeft Petrus gezegd:
dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joel:
17 En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen dromen:
18 ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.
19 En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm.
20 De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt.
21 En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden zal worden. (Handelingen 2:16-21).
Toch zijn die laatste dagen niet gekomen. Bloed, vuur en rookwalm, de zon veranderd in duisternis en de maan in bloed, het is niet gekomen. Wat Petrus uit Joel aanhaalde, heeft beslist op de laatste dagen betrekking. Het vervolg van Joel 2 luidt immers:
1 Want zie, in die dagen en te dien tijde, wanneer Ik een keer zal brengen in het lot van Juda en van Jeruzalem,
2 zal Ik alle volken verzamelen en afvoeren naar het dal van Josafat, en Ik zal aldaar met hen in het gericht treden ter oorzake van mijn volk en van mijn erfdeel Israel, dat zij onder de volken verstrooid hebben, terwijl zij mijn land verdeelden, (3:1 en 2).
11 Maakt u op en komt, alle volken van rondom, en verzamelt u. Doe, o HERE, uw helden daarheen afdalen.
12 Laat de volken opstaan en oprukken naar het dal van Josafat, want daar zal Ik zitten om alle volken van rondom te richten.
13 Slaat de sikkel erin, want de oogst is rijp. Komt, treedt, wat de perskuip is vol; de wijnbakken stromen over. Want hun boosheid is groot.
14 Menigten, menigten in het dal der beslissing, want nabij is de dag des HEREN in het dal der beslissing.
15 De zon en de maan worden zwart en de sterren trekken haar glans in.
16 En de HERE brult uit Sion en verheft zijn stem uit Jeruzalem, zodat hemel en aarde beven. (3:11-16).
Het is dus zeker, dat hetgeen Petrus uit Joel citeerde, op de laatste dagen slaat. Maar die laatste dagen zijn nog niet gekomen. Heeft Petrus die profetie dan ten onrechte aangehaald?
De laatste dagen opgeschoven.
Petrus heeft zich niet vergist. Hoe zou dat ook kunnen? Hij had zojuist de Heilige Geest ontvangen en zijn woorden zijn ongetwijfeld door die Geest ingegeven.
Zijn woorden bewijzen, dat hij zelfs in Handelingen 3 er nog van uitging, dat Israël zich mogelijk zou bekeren en de schuld in de verwerping van Christus zou erkennen, waarna de laatste dagen alsnog zouden aanbreken met alle daaraan verbonden zegen:
19 Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren,
20 en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende;
21 Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher. (3:19-21).
Doordat Israël in ongeloof en in de verwerping van Christus heeft volhard, is het allemaal anders gelopen. Tot op de huidige dag zijn de tijden van de wederoprichting aller dingen niet gekomen. De Here is zijn gemeente gaan bouwen, het heil is tot de volken gezonden en Israël is tijdelijk verworpen:
15 Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden? (Romeinen 11:15)
Het koninkrijk is niet gekomen.
De tijd van de wederoprichting aller dingen is nog niet gekomen.
We leven nog niet in de laatste dagen.
Het nieuwe verbond is nog steeds niet met Israël gesloten.
De laatste dagen stonden te komen inderdaad, maar door de onbekeerlijkheid van Israël is er een tussentijd gekomen, de tijd van de gemeente van Jezus Christus, gebouwd uit Joden en heidenen.
Als die gemeente voltallig is, dan zal geschieden wat in Romeinen 11 geschreven is:
25 Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat,
26 en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden.
27 En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.
(11:25-27).
Het bloed van het nieuwe verbond werkt nu reeds.
Zover is het nog niet. We leven nog in de tijd waarin de gemeente gebouwd wordt.
Het nieuwe verbond is nog niet gesloten.
Maar het offer dat bij dat verbond behoort, is op Golgotha reeds gebracht. Het nieuwe verbond staat in tegenstelling tot het werkverbond van de Sinai, niet tot het verbond met Abraham:
15 En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan, om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden.
16 Want waar een testament is, moet noodzakelijk van de dood van de erflater melding gemaakt worden;
17 een testament toch wordt alleen van kracht, indien er iemand gestorven is, daar het nog geen gevolg heeft, zolang de erflater leeft.
18 Daarom is ook het eerste verbond niet zonder bloed ingewijd.
19 Want nadat door Mozes elk gebod volgens de wet aan al het volk was medegedeeld, nam hij het bloed der kalveren en der bokken met water, scharlaken wol en hysop en besprengde het boek zelf en al het volk,
20 zeggende: Dit is het bloed van het verbond, dat God u heeft voorgeschreven.
21 En ook de tabernakel en al het gereedschap voor de eredienst besprengde hij evenzo met bloed.
22 En nagenoeg alles wordt volgens de wet met bloed gereinigd, en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving.
23 Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze.
24 Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen;
(Hebreeën 9:15-24).
Alles, ook het volk werd door Mozes met het bloed besprenkeld. Dat betrof de afbeelding van de hemelse dingen. (vers 23).
Volgens vers 24 zijn door het bloed van Christus de hemelse dingen zelf gereinigd. Het volk echter is nog steeds niet door zijn bloed gereinigd. Reiniging door het bloed van Christus vindt plaats als men zich bekeert en in Hem gelooft. Zover is Israël nog niet.
De gelovigen van onze tijd, die de gemeente vormen, zijn echter wel door dat bloed gereinigd, doordat zij zich bekeerd en geloofd hebben.
Het is het bloed van het nieuwe verbond. Door ongeloof is het verbond weliswaar nog niet gesloten, maar het offer voor dat verbond is reeds gebracht en het bloed vergoten. Het bloed van dat offer heeft zijn kracht en reinigt nu reeds ieder die in geloof tot Jezus gaat. Aan hem wordt vervuld wat in Jesaja 49 geschreven is:
5 Maar nu zegt de HERE, die mij van de moederschoot aan vormde tot zijn knecht, om Jakob tot Hem terug te brengen en om Israël tot Hem vergaderd te doen worden (en ik werd geëerd in de ogen des HEREN en mijn God was mijn sterkte)
6 Hij zegt dan: Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken, opdat mijn heil reike tot het einde der aarde.
Jood of heiden, ieder is een zondaar en ieder mag tot Jezus gaan, en ieder die gelooft, wordt in liefde aangenomen en ontvangt vergeving van zonden.
Wie garandeert ons dat?
Dat garandeert de waarachtige God in zijn Woord, en dat is genoeg!
J.Ph.Buddingh
|
|
 |
|