Site tot bemoediging, lering en bevestiging in de waarheid, die in Christus Jezus is.
 

Overwegingen met betrekking tot de wet en de christen.

  1. De wet is niet sinds het begin aan de mensen gegeven.
    De wet, die vierhonderd dertig jaar later is gekomen, maakt het testament, waaraan door God tevoren rechts-kracht verleend was, niet ongeldig, zodat zij de belofte haar kracht zou doen verliezen. (430 jaar na Abraham, Galaten 3:17).

  2. De wet is niet aan alle mensen, maar aan Israël gege-ven.
    Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet; (Romeinen 2:14). Voor zover we Exodus kennen, wisten we dat al.

  3. De wet is niet voor rechtvaardigen bestemd.
    Door dit spoor te verlaten zijn sommigen vervallen tot ijdel gepraat; zij willen leraars der wet zijn, zonder ook maar te beseffen wat zij zeggen of waarover zij zo stellig spreken. Wij weten, dat de wet goed is, indien iemand haar wettig toepast, wel wetend, dat de wet niet gesteld is voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en tuchtelozen, voor goddelozen en zondaars, voor onverlaten en onheiligen, voor vadermoorders en moedermoorders en doodslagers, hoereer-ders, knapenschenders, zielverkopers, leugenaars, meinedigen, en al wat verder ingaat tegen de gezonde leer. (1 Timotheüs 1:6-10).

  4. De wet is gegeven voor de periode van de Sinaï tot aan Christus
    Waartoe dient dan de wet? Om de overtredingen te doen blijken is zij erbij gevoegd, totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg. (Galaten 3:19). Dat "Om der overtredingen wil" moeten wij goed verstaan. Bij de Sinai heeft God aan Israël pas de wet gegeven, nadat zij in hun overmoed en met een totaal gemis aan inzicht in hun zondige gedrag verzekerd hadden: Al wat de Heere gebieden zal, dat zullen wij doen. De bedoeling was wel goed, maar hun blindheid voor hun houding van Egypte tot de Sinai was bedroevend. God gaf hun de wet, opdat zij door het overtreden van de regels der wet, zouden zien hoe vaak zij zondigden.
    Denk niet, dat de wet voor iedereen en altijd nodig was om de zonden te leren zien. Wat hadden zij dan moeten beginnen, die leefden van Adam tot Noach? Kenden zij hun fouten niet? En zij die leefden van Noach tot de Sinai? Wisten Job en zijn vrienden niet wat zonde was? We weten wel beter. Getuigde Henoch niet tegen de goddeloosheid (Judas vers 14-15)? Neen, de wet is aan Israël gegeven wegens hun totaal gemis aan zelfkennis.

  5. In Galaten 4:9 wordt de wet genoemd "zwakke en arme beginselen".
    Hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme beginse-len, welke gij wederom van voren aan wilt dienen? Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren (4:9-10).

  6. In Kolosse 2 vinden we nog iets scherpere bewoordin-gen.
    Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus (vers 8), Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk van een feestdag, nieuwe maan, of sabbatten; welke zijn een schaduw der toekomende dingen (verzen 16-17)…….. Indien gij dan met Christus de eerste begin-selen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast? namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan. welke dingen alle teloor gaan door het gebruik, naar de geboden en leringen der mensen (verzen 20-22).
    De wet, de eerste beginselen der wereld genoemd, is bestemd voor hen die in de wereld leven. Hoe zullen christenen, die uit de wereld verlost zijn, hun dankbaarheid tonen door te trachten naar die eerste beginselen der wereld te leven?
    De gedachte in de laatste verzen is, dat een christen een ge-storvene is (met Christus gestorven) en daardoor vrij is van de wet, en verbonden is aan Christus. Die gedachte komen we vooral in Romeinen tegen.

  7. In 2 Korinthe 3 gebruikte Paulus nog andere woorden voor de wet.
    En indien de bediening des doods in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzo dat de kin-deren Israëls ……..(vers 7), Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de…. (vers 9).
    Kan de bediening des doods, kan de bediening der ver-doemenis een leefregel van dankbaarheid zijn?

  8. Jakobus zegt in 2:10, dat wie in één gebod struikelt, schuldig is geworden aan de gehele wet.
    Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle. Want Die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, Die heeft ook gezegd: Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden (verzen 10 en 11).
    Een van de geboden is: "gij zult niet begeren". Niemand kan aan dat gebod voldoen. Kan een regel, die wij vrijwillig op ons nemen om uit dank-baarheid te volbrengen, maar die wij nagenoeg dagelijks over-treden, onze regel van dankbaarheid zijn?

  9. In Handelingen 15:10 heeft Petrus van de wet gezegd:
    Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?
    Zouden wij het uit dankbaarheid wel kunnen?

  10. Hagar en Sara, dat is wet en belofte (op grond van genade) konden niet samengaan.
    Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, een uit de dienstmaagd, en een uit de vrije. Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis; hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Hagar. Want dit, namelijk Hagar, is Sinaï, een berg in Arabie, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen. Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.
    Want er is geschreven: Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij, die geen barensnood hebt, want de kinderen der eenzame zijn veel meer, dan dergene, die den man heeft.
    Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izaak was. Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene, die naar den Geest geboren was, alzo ook nu. Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije. Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije. (Galaten 4:22-31).
    Werp de dienstmaagd uit, zegt de Schrift. Zullen wij die uit dankbaarheid weer binnenhalen? Is het juist de regel van dienstbaren te nemen en als regel der dankbaarheid aan zonen voor te leggen?

  11. In Romeinen 6:14 heeft Paulus geschreven de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.
    Dat heeft hij in hoofdstuk 7 als volgt verder uitgewerkt: Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan) dat de wet heerst over den mens, zo langen tijd als hij leeft? Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans. Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt.
    Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.
    Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragen. Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter (7:1-6).

    Iedere christen, Jood of heiden, is met Christus gestorven. Een gestorvene valt niet onder de wet. Christenen zijn niet meer aan de wet, maar aan Christus verbonden.
    Kan het juist zijn, als een christen, wiens leven Christus is, als regel van dankbaarheid hanteert, wat voor springlevende zondaars bedoeld is? De wet doet een beroep op de zondaar, dat is op het vlees, om zich in te spannen teneinde het leven te verdienen. Nu de christen zonder inspanning en door het geloof het leven heeft ontvangen, kan het dan de bedoeling zijn, dat hij zijn dankbaarheid toont door de regel te hanteren, die een beroep op het vlees deed?

  12. Paulus schreef in 1 Korinthe De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet (15:56).
    Kan hetgeen aan de zonde kracht geeft, onze leefregel der dankbaarheid zijn?

  13. Paulus hanteerde in Galaten 3 het beeld van onmondige kinderen, die voorlopig onder een voogd staan en niet van een dienstknecht verschillen, totdat zij volwassen zijn geworden.
    Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. Zo dan, de wet is onze tuchtmeester (Paidagogos) geweest tot op Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden
    Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester. Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus (Galaten 3:23-26).
    Het voorzetsel "eis" is in vers 23 met "tot op" vertaald, tijdsbepalend dus, maar is in vers 24 met "tot" vertaald. Het is echter ook daar tijdsbepalend bedoeld en moet inderdaad zijn "tot op". De gedachte is dus niet, dat de wet ons tot Christus leidt, maar dat de wet een rol speelde totdat Christus gekomen was.
    In Galaten 4:1-7 vervolgde hij dat beeld als volgt:
    Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een (onmondig) kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles; Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld.
    Alzo wij ook, toen wij (onmondige) kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld.
    Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot zonen (niet het woord voor een onmondig kind) verkrijgen zouden. En overmits gij (volwassen) zonen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!
    Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.

    We begrijpen het beeld. Kleine kinderen moeten gevormd en opgevoed worden. Ze moeten met eenvoudige stof beginnen.
    Volwassenen gebruiken geen boekjes van de basisschool meer. De apostel zegt in zijn beeldspraak, dat wij, die in Christus geloven, niet onmondigen, maar zonen zijn en niet meer in de positie gelijk aan een dienstknecht staan.
    Is het juist als volwassen zonen uit dankbaarheid de aanwij-zingen voor onvolwassenen en dienstknechten gaan hanteren?
    De apostel schreef op deze wijze juist om de Galaten te doen zien, dat zij de wet niet als leefregel moesten hanteren, daar zij immers volwassen zonen waren. Moeten wij desondanks doen, wat zij niet moesten doen?

  14. Indien het juist zou zijn, dat de wet een leefregel der dankbaarheid voor de christen is, hoe is het dan te verklaren, dat we dat in geen enkele schriftplaats, waarin over de wet wordt geschreven, noch in Romeinen, noch in Galaten, noch in 1 Timotheüs, noch elders vermeld vinden?
    De Schrift leert het ons beslist niet. Het is een misvatting.

  15. Heeft God de wet als leefregel der dankbaarheid gegeven?
    Neen, de Heere heeft de wet gegeven als een recept om het leven door eigen inspanning te verwerven: Doe dat, en gij zult leven. Het doel was Israël te doen ervaren, dat zij hopeloos faalden, opdat zij tot genade de toevlucht zouden nemen.
    Kunnen we dat, wat God heeft gegeven om de mens zijn falen te tonen, als regel der dankbaarheid gaan gebruiken? Daartoe gaf God de wet niet!

  16. In Romeinen 7:14-23 zien we een godvrezend en bekeerd iemand, die het kwade haat en die kan zeggen, dat hij een vermaak heeft in de wet Gods naar de inwendige mens (vers 22). Hoe is het mogelijk, dat hij nochtans van zichzelf zegt: ik ellendig mens?
    Doordat hij, dat wil zeggen "Ik" met grote ijver tracht Gods wil te volbrengen, maar er niet in slaagt. Meer dan veertig maal vinden we in dat gedeelte het woord "ik" of "mij". Wie gelovig is en de wet tracht te volbrengen, al is dat uit dankbaarheid, zal dezelfde ervaring opdoen. Want het is "ik", die de wet moet volbrengen.
    Wat verlossend is het te weten, wat Romeinen 8 ons leert, dat "ik", de oude verdorven mens, gevonnist is en voor God dood is. We kunnen nu naar de Geest wandelen, dat is door geloof in en in vertrouwen op Jezus Christus, niet meer ziende op wat wij volbrengen of niet volbrengen, maar ziende op Hem, de overste Leidsman en Voleinder van het geloof.

  17. De regel der dankbaarheid is in de gelijkenis van de barm-hartige Samaritaan te vinden, in Lukas 10:25-37. Een wetge-leerde vroeg, wat hij moest doen om het eeuwige leven te ver-werven. En toen hij te kennen gaf, dat hij niet wist, wie zijn naaste was, vertelde de Heere hem de volgende uiterst leer-zame, maar vaak niet begrepen geschiedenis:

    En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?
    26 En Hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest gij?
    27 En hij, antwoordende, zeide: Gij zult den Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.
    28 En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven.
    29 Maar hij, willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?
    30 En Jezus, antwoordende, zeide: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen.
    31 En bij geval kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij.
    32 En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij.
    33 Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen.
    34 En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde hem.
    35 En des anderen daags weggaande, langde hij twee pennin-gen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat gij meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom.
    36 Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was?
    37 En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zeide dan Jezus tot hem: Ga heen, en doe gij desgelijks.

    Wij waren gelijk aan de man, die van Gods woonplaats naar Jericho, de plaats van de vloek, reisde, daar wij immers op weg naar het oordeel waren.
    Maar wij waren gegrepen door de vijand der zielen, die ons als een dode zondaar en machteloos liet liggen.

    Toen kwamen eerst een priester en daarna een Leviet voorbij. Wat konden zij doen? Hun taak was onder andere de mens de wet voor te houden: doe dat en gij zult leven. Maar dat zou die man niet geholpen hebben. Hij kon immers niets doen.
    Zo kon ook ons de wet niet helpen. De wet zegt ons, wat wij moeten doen. Maar wij konden niets doen. Wij waren dood in zonden en misdaden, onbekwaam tot enig goed.
    Toen kwam de Barmhartige, de Verachte, gezonden door de Vader. Hij ging de weg naar beneden om onze straf te dragen. Hij heeft zich over ons, zondaars ontfermt. Hij heeft ons op-genomen en aan de zorg van de Heilige Geest toevertrouwd, totdat Hij zal terugkomen. En Hij heeft betaald!

    De vraag was "wat moet ik doen"?
    Het antwoord: "God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf". De volgende vraag was: "Wie is mijn naaste"?
    Het antwoord vinden we in het einde van het verhaal: "Die barmhartigheid aan ons gedaan heeft".
    Wie is dat?
    Antwoord: Jezus Christus, de Verachte, die zich over ons heeft ontfermd. Hem liefhebben is onze Naaste liefhebben en is gelijk aan God liefhebben, Het is het beste, dat wij kunnen doen om onze dankbaarheid te tonen. Het is niet verstandig alsnog de priester en de Leviet te laten opdraven, omdat we zo dankbaar zijn.

J.Ph.Buddingh.

top